Appellante ontving van het college een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke ondersteuning tegen een uurtarief van respectievelijk €16,35 en €12,50 voor verschillende perioden. Zij maakte bezwaar tegen deze tarieven, waarop het college het bezwaar gegrond verklaarde maar het uurtarief van €12,50 bleef gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt appellante dat het gehanteerde uurtarief ontoereikend is en niet conform de wettelijke vereisten.
De Raad overweegt dat het wettelijk minimumloon als norm voor het pgb-uurtarief niet toereikend is en dat het uurtarief minimaal moet aansluiten bij het hoogste uurloon van de cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Dit volgt uit de geschiedenis van de Wmo (oud) en de Wmo 2015, waarin de kwaliteit van huishoudelijke ondersteuning en reële tarieven zijn gewaarborgd.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit voor zover daarin een lager uurtarief is gehanteerd dan het genoemde minimum. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen conform deze uitspraak. Tevens wordt appellante in de proceskosten en griffierechten tegemoetgekomen.