Betrokkene, met beperkingen door hersenfunctiestoornissen, kreeg een maatwerkvoorziening individuele begeleiding van elf uur per week toegekend via een pgb. Het college hanteerde een uurtarief van €14,95, wat betrokkene betwistte als te laag. De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van betrokkene, onder meer over de begeleidingstijd tijdens maaltijden, maar het college ging in hoger beroep.
De Raad bevestigt dat de ondersteuning op de fazantenboerderij bedrijfsmatig is en niet onder de Wmo 2015 valt, waardoor de begeleidingstijd tijdens maaltijden niet als zodanig kan worden meegeteld. Wel oordeelt de Raad dat het pgb-uurtarief onvoldoende is en minimaal moet aansluiten bij het uurloon van de hoogste periodiek van FWG 30 uit de cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en verlofuren.
Verder stelt de Raad vast dat artikel 5.6, derde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 in strijd is met de Wmo 2015 en daarom onverbindend is. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen, waarbij het college en de Staat worden veroordeeld tot betaling van respectievelijk €142,86 en €857,14. Ook worden proceskosten en griffierecht aan betrokkene vergoed.
De Raad vernietigt de eerdere besluiten en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze nieuwe beslissing kan alleen bij de Raad beroep worden ingesteld.