Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:397

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
23/1323 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding werkzaamheden en medewerkingsverplichting

Appellante ontving bijstand sinds november 2019. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek naar haar werkzaamheden. Tijdens een verhoor op 11 maart 2021 verliet appellante voortijdig de spreekkamer, waardoor het college het recht op bijstand beëindigde. Tevens werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 januari tot 10 maart 2021, omdat appellante werkzaamheden voor bedrijf X niet had gemeld.

Appellante diende op 16 april 2021 een nieuwe aanvraag in, maar het college stelde dat geen bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde de besluiten. Appellante voerde onder meer aan dat zij door intimidatie het verhoor niet kon afmaken en dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende waren.

De Raad overweegt dat het verhoor zorgvuldig is verlopen, de medewerkingsplicht is geschonden en het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante op geld waardeerbare activiteiten verrichtte. De niet-melding daarvan rechtvaardigt intrekking en terugvordering. Ook is geen bijzondere omstandigheid voor een eerdere ingangsdatum vastgesteld. Wel wordt een schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de bestreden besluiten blijven in stand.

Uitkomst: De beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en appellante krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/1323 PW, 23/1324 PW en 23/1325 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 maart 2023, 21/2917, 21/2918 en 21/2919 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 24 maart 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over een beëindiging, een intrekking en een terugvordering van bijstand en over de ingangsdatum van de aan appellante toegekende bijstand naar aanleiding van een nieuwe aanvraag. Het college heeft de bijstand beëindigd, omdat appellante voortijdig een verhoor heeft verlaten en daardoor de medewerkingsverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld. Het college heeft de bijstand ingetrokken en teruggevorderd omdat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden voor bedrijf X. Het gaat daarbij om op geld waardeerbare activiteiten. Omdat appellante van haar werkzaamheden geen administratie heeft bijgehouden, kan als gevolg van de schending het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Over de ingangsdatum van de toegekende bijstand heeft het college gesteld dat in het geval van appellante geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Appellante is het daar niet mee eens. Appellante vindt dat het haar niet verweten kan worden dat zij uit het verhoor is weggelopen, dat de onderzoeksbevindingen van het college ontoereikend zijn voor het standpunt dat zij op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en dat de omstandigheid dat zij door de coronacrisis niet eerder een aanvraag voor bijstand bij het college kon indienen een eerdere ingangsdatum rechtvaardigt. Appellante krijgt daarin geen gelijk. Appellante krijgt wel een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft ook verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellante ontving sinds 1 november 2019 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
1.3.
Naar aanleiding van een anonieme melding op 3 februari 2021, onder andere inhoudende dat appellante samen met haar ex-partner werkzaamheden zou verrichten, heeft de sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen onder meer dossier- en internetonderzoek verricht en waarnemingen verricht nabij het adres van appellante (uitkeringsadres). Daarnaast hebben twee sociaal rechercheurs op 11 maart 2021 een onaangekondigd huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd, waarbij met toestemming van appellante poststukken zijn meegenomen om te worden gekopieerd. Onder deze poststukken bevonden zich een op naam van appellante gestelde arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring avondklok ten behoeve van appellante. Ook is appellante na afloop van het huisbezoek op 11 maart 2021 om 10.45 uur met tussenkomst van een tolk via de tolkentelefoon door de sociaal rechercheurs gehoord. Appellante is om 14.33 uur uit dit verhoor weggelopen. Verder heeft appellante desgevraagd bankafschriften ingediend. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 23 maart 2021 en 3 mei 2021.
1.4.
In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om met een besluit van 11 maart 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 september 2021 (bestreden besluit 1), het recht op bijstand van appellante per 11 maart 2021 te beëindigen. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante ervoor heeft gekozen om de spreekkamer voortijdig te verlaten en het gesprek te beëindigen, ondanks dat zij meermaals op haar inlichtingen- en medewerkingsverplichting en de consequenties van het voortijdig verlaten van het gesprek is gewezen. Omdat de voor de beoordeling van het recht op bijstand te beantwoorden relevante vragen onbeantwoord zijn gebleven, is de bijstand per 11 maart 2021 beëindigd.
1.5.
Daarnaast heeft het college met een besluit van 25 mei 2021, zoals gewijzigd met een besluit van 28 mei 2021 en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 september 2021 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2021 tot en met 10 maart 2021 (te beoordelen periode) ingetrokken en de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.553,67 van haar teruggevorderd. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 januari 2021 werkzaamheden heeft verricht. Het gaat om op geld waardeerbare activiteiten waar in het algemeen inkomsten mee kunnen worden verworven. Dit heeft zij niet aan het college gemeld. Omdat appellante geen boekhouding heeft bijgehouden kan het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2021 tot en met 10 maart 2021 niet worden vastgesteld.
1.6.
Appellante heeft op 16 april 2021 een nieuwe aanvraag om bijstand bij het college ingediend. Met een besluit van 10 juni 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 september 2021 (bestreden besluit 3), heeft het college appellante met ingang van 16 april 2021 bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft de gronden van appellante uitvoerig besproken en heeft – samengevat – als volgt overwogen.
2.1.
Wat de schending van de medewerkingsverplichting betreft heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat appellante het verhoor op 11 maart 2021 voortijdig heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de stelling van appellante dat tijdens het verhoor sprake was van onaanvaardbare druk en dat het appellante niet te verwijten is dat zij het verhoor voortijdig heeft beëindigd.
2.1.1.
De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat het gespreksverslag van 11 maart 2021 door twee sociaal rechercheurs op ambtseed is opgemaakt en ondertekend en dat als uitgangspunt geldt dat van de inhoud van zo’n gespreksverslag kan worden uitgegaan. [1] Dit gespreksverslag geeft op gestructureerde en gedetailleerde wijze het verloop van het gesprek weer: in de vorm van vraagstelling door de rechercheurs, beantwoording van de vragen door appellante en een weergave van opmerkingen. In een aanvullende, ook op ambtseed opgemaakte en ondertekende, verklaring van 15 juni 2021 hebben de sociaal rechercheurs hierover verklaard dat het gespreksverslag een letterlijke weergave van het gesprek is geweest. Uit het gespreksverslag blijkt bovendien dat het gesprek (voor de zorgvuldigheid) heeft plaatsgevonden met behulp van een beëdigd tolk van de tolkentelefoon. Verder blijkt daaruit dat appellante voorafgaand aan het gesprek is gewezen op de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting, dat haar is medegedeeld dat het niet meewerken aan het gesprek (door de spreekkamer te verlaten) als consequentie heeft dat het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld en dat appellante erop is gewezen dat zij tijdens het verhoor meteen kan aangeven als zij iets niet begrijpt en of ze een korte pauze wenst. Het gesprek is ook een aantal keren onderbroken geweest voor een pauze. Voor de stelling van appellante dat tijdens het verhoor sprake was van intimiderend gedrag door de sociaal rechercheurs (schreeuwen, slaan op de tafel en tegen de ramen, gooien met papieren in de ruimte), biedt het gespreksverslag geen enkel aanknopingspunt. In de aanvullende verklaring hebben de sociaal rechercheurs (samengevat) als reactie gegeven dat er van dergelijke gedragingen absoluut geen sprake is geweest en dat zij zich kapot zouden schamen als zij zich wel zo gedragen hadden. Het college heeft ter zitting hierover toegelicht dat de sociaal rechercheurs wekelijks dit soort gesprekken voeren, dat dergelijke aantijgingen nooit eerder zijn voorkomen en dat de sociaal rechercheurs daarvan ook erg geschrokken zijn. De rechtbank heeft geen enkele reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank vindt het verloop van het gesprek en de context waarin appellante de vragen zijn gesteld niet ongebruikelijk voor een verhoor over de rechtmatigheid van de bijstandverlening. Zeker omdat in dit geval de onderzoeksbevindingen afweken van wat appellante verklaarde. Het is weliswaar voor te stellen dat appellante de vragen als onprettig heeft ervaren, maar gelet op de context waarbinnen de vragen zijn gesteld kan niet worden volgehouden dat zij als leugenaar is beschuldigd door de sociaal rechercheurs en dat daardoor sprake was van onaanvaardbare druk. Dat appellante ook onaanvaardbare druk heeft ervaren doordat ze zorgen over haar kinderen had en dat ze daarom naar haar kinderen toe moest, volgt de rechtbank niet. Ook daarvoor is namelijk geen enkele aanwijzing te vinden in het gesprekverslag. Appellante is voorafgaand aan het gesprek medegedeeld dat het gesprek enige tijd kan duren en aan haar is gevraagd of ze nog andere afspraken had. Daarop heeft appellante geantwoord dat dit niet het geval is en dat de kinderen worden opgevangen door haar ex-partner. Appellante heeft deze weergave niet betwist. Het betoog van appellante dat het haar niet kan worden verweten dat zij het verhoor op 11 maart 2021 voortijdig heeft verlaten omdat zij door psychische problemen het verhoor als bezwaarlijker heeft ervaren dan iemand die geen psychische problemen heeft, volgt de rechtbank ook niet. Uit de door appellante overgelegde brief van 17 oktober 2022 van AmaCura blijkt alleen dat appellante een telefonische afspraak heeft gehad met de hulpverleners van AmaCura en dat daarbij is geconstateerd dat AmaCura niet de juiste instantie is voor de behandeling van de hulpvraag van appellante. Dat appellante tijdens het verhoor (meer dan gebruikelijk) psychische problemen heeft ervaren (waardoor ze tijdens het verhoor druk ervaarde), heeft zij dus niet met deze brief onderbouwd.
2.1.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat appellante de inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Het college kon zich namelijk op het standpunt stellen dat voor het recht op bijstand relevante vragen onbeantwoord zijn gebleven doordat appellante het gesprek uit eigen beweging heeft verlaten en daarmee heeft beëindigd. Appellante heeft het gesprek beëindigd nadat de sociaal rechercheurs haar er herhaaldelijk op hadden gewezen dat, als ze het gesprek voortijdig zou beëindigen, het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld.
2.2.
In rechtsoverwegingen 14 tot en met 14.8 heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgrond van appellante, dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht en daarvoor betaald heeft gekregen, niet slaagt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het recht op bijstand mocht intrekken en terugvorderen over de periode van 1 januari 2021 tot en met 10 maart 2021. Hieraan heeft de rechtbank de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
2.2.1.
Volgens vaste rechtspraak is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. [2] Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand niet alleen van belang is het inkomen waarover appellante daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover zij redelijkerwijs kan beschikken.
2.2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de onderzoeksbevindingen aannemelijk gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat op de website van bedrijf X kaas-/zuivelproducten worden getoond en dat er een filmpje te zien is, waarop appellante volgens het college stellages poetst. Tijdens het huisbezoek is onder andere administratie op naam van appellante aangetroffen, waaronder een arbeidsovereenkomst van bedrijf X op naam van appellante, een verklaring avondklok op naam van appellante en een werkgeversverklaring avondklok op naam van bedrijf Y. Daarnaast zijn facturen van diverse horecagroothandelaren, een factuur van een drukkerij voor etiketten voor bedrijf X en een visitekaartje van bedrijf X aangetroffen. Dit visitekaartje komt overeen met de etiketten op de bakjes die op de Facebookpagina van bedrijf X worden getoond. Gelet op wat in 2.1.1 is overwogen, is ook het gespreksverslag van 11 maart 2021 van belang, waarin appellante heeft verklaard dat zij het bedrijf ‘helpt’ en dat ze van plan was om samen te werken met bedrijf X. Verder heeft appellante verklaard dat ze een maand heeft schoongemaakt in de fabriek, dat ze sinds 1 januari 2021 schoonmaakt, op zaterdag en zondag, één of twee uurtjes per dag, niet ieder weekend en, nadat zij is geconfronteerd met de vraag of zij dit als werk beschouwt, dat ze schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht voor zeven euro per uur.
2.2.3.
De rechtbank is van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze activiteiten voor haar recht op bijstand van belang konden zijn. Doordat zij die activiteiten niet heeft gemeld bij het college, heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellante verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de te beoordelen periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Ook in beroep is niet onderbouwd en daarmee onduidelijk gebleven wat de omvang van de op geld waardeerbare activiteiten is geweest en wat appellante heeft verdiend dan wel had kunnen verdienen. Appellante heeft bijvoorbeeld geen administratie bijgehouden waaruit (bij benadering) kan worden afgeleid wat daarvan de omvang was. Gelet daarop kon het college de omvang van de op geld waardeerbare activiteiten en wat appellante heeft verdiend dan wel had kunnen verdienen niet (ook niet schattenderwijs) vaststellen.
2.3.
Tot slot heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 15.1 tot en met 15.3 overwogen dat volgens vaste rechtspraak in beginsel geen bijstand wordt verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – zoals in het geval van appellante – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. [3] Het is aan appellante om deze bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
2.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat appellante hierin niet is geslaagd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was om eerder dan op 16 april 2021 een aanvraag voor bijstand in te dienen of zich daarvoor bij het college te melden. De stelling dat zij vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal afhankelijk was van Partners in Welzijn (PIW) waardoor zij niet eerder dan 16 april 2021 in staat was om een aanvraag in te dienen, heeft appellante niet onderbouwd. Bovendien heeft appellante voor aanvang van het huisbezoek op 11 maart 2021 op vragen van de sociaal rechercheurs geantwoord dat het inschakelen van een tolk niet nodig is. Verder heeft het college erop gewezen dat appellante in 2019 en 2020 een telefonische melding heeft gedaan om bijzondere bijstand aan te vragen. Gelet hierop valt niet in te zien waarom appellante niet in staat was om (telefonisch) contact met het college op te nemen en om te melden dat zij een nieuwe bijstandsuitkering wilde aanvragen. Appellante heeft niet kunnen uitleggen waarom zij wel in staat was om al eerder contact te zoeken met PIW, maar niet met de gemeente. Daarnaast heeft zij overigens ook niet onderbouwd dat zij pas op 16 april 2021 terecht kon voor een afspraak bij PIW nadat zij zich daar al eerder had gemeld. De rechtbank kan zich voorstellen dat appellante het prettig vindt om door PIW geholpen te worden bij het invullen van het aanvraagformulier en het verzamelen van bewijsstukken, en dat die hulp mogelijk ook wenselijk of nodig is. Maar dat betekent niet dat niet van appellante kan worden verlangd dat zij zich bij het college meldt voor bijstand als zij vanwege haar financiële omstandigheden vindt dat zij daar recht op heeft. De bijstand krijgt zij uiteindelijk ook van het college. Dat appellante vanwege corona niet eerder dan op 16 april 2021 een aanvraag heeft kunnen doen bij het college of zich daar kon melden daarvoor, heeft zij ook niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft daarover ter zitting toegelicht dat de dienstverlening tijdens corona gewoon is doorgegaan, dat het college telefonisch bereikbaar was en dat alle afspraken digitaal waren.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij voert – samengevat en onder verwijzing naar de gronden van bezwaar en beroep – aan dat de sociaal rechercheurs tijdens het verhoor intimiderend gedrag hebben vertoond (schreeuwen, op tafel slaan en papieren in ruimte gooien) en ontoelaatbare druk op appellante hebben uitgeoefend. De rechtbank heeft ten onrechte het standpunt van het college valide geacht dat over de handelwijze van de sociale recherche nooit is geklaagd. Het college heeft dit standpunt niet onderbouwd. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat het appellante verweten kan worden dat zij het verhoor, dat al bijna vier uur duurde, voortijdig heeft beëindigd. Het college had ook een nieuwe afspraak kunnen maken. Verder betwist appellante dat zij op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Wat tijdens het huisbezoek is aangetroffen, biedt hiervoor volgens appellante onvoldoende bewijs, omdat het een concept arbeidsovereenkomst betreft dat niet getekend is. Daarnaast kan het gespreksverslag niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten omdat de sociale recherche onaanvaardbare druk op appellante heeft uitgeoefend en een onjuiste vertaalslag is gemaakt van wat appellante heeft verklaard dan wel door de sociale recherche onjuist is verwoord in het verslag. Tot slot voert appellante aan dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum voor toekenning van bijstand rechtvaardigen. Door de coronamaatregelen was het voor appellante niet mogelijk om eerder een afspraak te maken bij PIW om hulp te krijgen bij de bijstandsaanvraag.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de beëindiging van bijstand, de intrekking en de terugvordering van bijstand en over de ingangsdatum van de aan appellante toegekende bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Wat appellante aanvoert is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitvoerig uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van de bestreden besluiten. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.

Verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn

5.1.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [4] De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. [5]
5.1.1.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [6]
5.1.2.
De procedures over de beëindiging van bijstand, de intrekking en terugvordering van bijstand en over de ingangsdatum van de aan appellante toegekende bijstand naar aanleiding van een nieuwe aanvraag hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand. In beroep en hoger beroep zijn de procedures gezamenlijk behandeld.
5.1.3.
Het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel is 16 april 2021. Op die dag ontving het college het bezwaarschrift tegen het onder 1.1 vermelde besluit. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 16 april 2021 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en elf maanden verstreken. Noch in de zaken zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedures meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van de bezwaren minder dan een half jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van bijstand, de intrekking en terugvordering van bijstand en de ingangsdatum van de toegekende bijstand in stand blijven. Daarom bestaat ook voor vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen aanleiding. Verder zal aan appellante een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn worden toegekend.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Wel bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante voor het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade af;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een aanvullende vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en M. Wolfrat en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) J. Bonnema

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:811.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646 en van 24 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3170.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1553.
4.Zie onder meer de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
5.Idem.
6.Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2 en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125.