ECLI:NL:CRVB:2026:24

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/400 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Wajong-uitkering op basis van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Limburg. De appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, had een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) was geweigerd. De appellant stelde dat hij vanaf zijn achttiende jaar duurzaam geen arbeidsvermogen had, maar de Raad oordeelde dat het Uwv terecht had geweigerd de uitkering toe te kennen. De Raad concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat de appellant in de relevante periode van [geboortedatum] 2013 tot [geboortedatum] 2018 duurzaam arbeidsongeschikt was. De rechtbank had eerder het beroep van de appellant ongegrond verklaard, en de Raad onderschreef deze conclusie. De Raad oordeelde dat de informatie van Met GGZ niet voldoende was om aan te tonen dat er sprake was van een duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De Raad wees erop dat de appellant in de periode van 2016 tot en met 2018 zonder aantoonbaar frequent verzuim had gewerkt, wat niet wijst op arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. De appellant kreeg geen proceskostenvergoeding omdat het hoger beroep niet slaagde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 januari 2025, 23/2341 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op [geboortedatum] 2013 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) en in de periode van vijf jaar daarna duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Appellant is verschenen, verzegeld door zijn moeder en bijgestaan door mr. Meuwissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 29 december 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij de aanvraag is informatie gevoegd van 18 oktober 2022 van Met GGZ waarin is vermeld dat appellant is gediagnosticeerd met schizofrenie. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat actueel geen sprake is van arbeidsvermogen, maar dat niet aannemelijk is dat bij appellant sprake is geweest van onafgebroken en duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen in de periode vanaf zijn achttiende tot zijn drieëntwintigste jaar. Met een besluit van 7 maart 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 24 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er onvoldoende medische gegevens voorhanden zijn over de periode in geding.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat in geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van appellant moet worden afgewezen omdat zijn medische situatie per [geboortedatum] 2013 en in de periode van vijf jaar daarna niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv heeft aangenomen dat bij appellant op achttienjarige leeftijd sprake was van ziekte of gebrek, maar dat volgens het Uwv niet aannemelijk is dat er bij hem sprake is geweest van onafgebroken en duurzaam verlies van arbeidsvermogen in de periode van vijf jaar na achttienjarige leeftijd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat appellant in ieder geval sinds zijn eerste psychiatrische opname in 2019 volledig arbeidsongeschikt is, maar dat over de situatie vóór april 2019 onvoldoende informatie beschikbaar is waardoor een correcte claimbeoordeling niet mogelijk is. Tot 2019 werd appellant niet voor zijn klachten behandeld en ook de huisarts heeft maar zeer beperkte informatie over appellant wat betreft deze periode. Het feit dat uit informatie van de huisarts blijkt dat de moeder van appellant in 2015 wilde dat appellant onderzocht werd op autisme, dat er een doorverwijzing was voor systeemtherapie in 2015 en de ter zitting getoonde verwijsbrief van de huisarts uit 2015 waarin wordt gesproken over schizofrenie, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant heeft van deze verwijzingen indertijd geen gebruik gemaakt. De omstandigheid dat de huisarts mogelijk dacht aan een psychiatrische stoornis, betekent niet dat die toen ook is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben verder van belang geacht dat appellant in de periode van 2016 tot en met 2018 zonder aantoonbaar frequent verzuim via een uitzendbureau op diverse plekken heeft gewerkt. Appellant was in die periode dus kennelijk niet arbeidsongeschikt. Hoewel het functioneren binnen deze dienstverbanden niet meer kan worden geobjectiveerd is het op basis van deze dienstverbanden niet aannemelijk dat er volledig en duurzaam verlies van arbeidsvermogen is geweest in de Wajong-verzekerde periode. De rechtbank heeft geen aanleiding voor twijfel aan deze conclusie. Voor de stelling dat het ging om min of meer beschermde arbeid zijn geen aanwijzingen. Het ging om gebruikelijk productiewerk via een uitzendbureau, waarbij de werkdruk natuurlijk niet op iedere werkplek hetzelfde is. Ook voor het argument dat het uitzendbureau de ziekmeldingen niet zou hebben genoteerd zijn geen aanwijzingen. Dat er al problemen waren in de middelbare schoolperiode en tijdens studie is duidelijk en dat zouden volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep best de eerste aanwijzingen voor de ontwikkeling van het ziektebeeld schizofrenie kunnen zijn geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in deze leeftijdsgroep veel jonge mensen echter minder goed functioneren; mentale problemen komen veel voor bij pubers en jongvolwassenen en slechts bij een minderheid wordt later de diagnose schizofrenie gesteld. Het feit dat appellant met de nodige moeite toch wel een havodiploma heeft gehaald, maar vervolgens al snel stopte met een hbo-opleiding, kan daarom evenmin worden gezien als bewijs dat hij toen volledig arbeidsongeschikt was.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv en de rechtbank de informatie van Met GGZ hebben miskend. Daaruit blijkt dat vanaf het zestiende jaar de problemen van appellant meer zichtbaar werden. Volgens Met GGZ kan retrospectief als het zogenaamde knikmoment gezien worden van een procespsychotisch beeld dat later tot de diagnose schizofrenie heeft geleid. Daarnaast heeft appellant met een beroep op onder andere artikel 5 van het VNGehandicaptenverdrag gesteld dat het hanteren van de vijfjaarstermijn van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong, discriminerend is voor personen waarvan pas na afloop van deze termijn wordt vastgesteld dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Naar de mening van appellante is dit reden voor het stellen van prejudiciële vragen. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijke deskundige heeft benoemd en heeft, met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en onder verwijzing naar het Korošec-arrest, [1] de Raad verzocht dit alsnog te doen. Volgens appellant heeft de rechtbank verder artikel 1a:3 eerste lid, van de Wajong miskend. Tot slot heeft appellant verzocht om een integrale procesvergoeding subsidiair om bij het veroordelen in de proceskosten wegingsfactor twee toe te passen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen in de periode [geboortedatum] 2013 tot [geboortedatum] 2018
5.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als hij op zijn achttiende verjaardag of, kort gezegd tijdens studie, duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
5.2.
Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op zijn achttiende verjaardag of tijdens studie beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dat moet dan wel voortkomen uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen ondervond op zijn achttiende verjaardag of tijdens studie.
5.3.
Bij een laattijdige aanvraag als hier aan de orde dient naar vaste rechtspraak naast een beoordeling aan de hand van de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong beoordeeld te worden of appellant op grond van artikel 1a:1, tweede lid, alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en in aanmerking komt voor een Wajonguitkering, omdat hij (in dit geval) op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden.
5.4.
In geschil is of het Uwv terecht heeft aangenomen dat niet objectief kan worden vastgesteld dat bij appellant sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen in de voor hem geldende Wajong-relevante periode van [geboortedatum] 2013 tot [geboortedatum] 2018.
5.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit over de geweigerde Wajong-uitkering. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de omstandigheid dat in de brief van 18 september 2022 van Met GGZ wordt gesproken over een zogenaamd knikmoment op zestienjarige leeftijd, niet tot een ander oordeel leidt. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook aangenomen dat de problemen in de middelbare schoolperiode best de eerste aanwijzingen voor de ontwikkeling van het ziektebeeld schizofrenie kunnen zijn geweest. Aanknopingspunten voor het oordeel dat het arbeidsvermogen van appellant in de vijfjaarsperiode duurzaam is komen te ontbreken, biedt deze opvatting van Met GGZ echter niet. Daarbij heeft het Uwv niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat het arbeidsverleden van appellant, dat loopt tot 2 december 2018 en daarmee tot na de vijfjaarsperiode, in ieder geval niet wijst op het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen in die periode. Het nadeel dat door het tijdsverloop niet meer informatie over de medische situatie van appellant uit de periode in geding beschikbaar is, komt vanwege de laattijdigheid van de aanvraag naar vaste rechtspraak van de Raad [2] voor rekening en risico van appellant.
5.6.
Het betoog van appellant dat in deze procedure zonder benoeming van een deskundige sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, slaagt niet. Het beginsel van equality of arms [3] vergt een balans voor partijen in hun mogelijkheden om bewijsmateriaal aan te dragen, die de rechter in staat moet stellen een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Appellant heeft zowel bij zijn aanvraag als daarna medische informatie overgelegd die naar haar aard geschikt is om twijfel te zaaien aan het standpunt van de artsen van het Uwv. De verzekeringsartsen hebben de beschikbare informatie kenbaar beoordeeld. Dat appellant als gevolg van zijn laattijdige aanvraag niet beschikt over meer medische informatie die betrekking heeft op zijn situatie op de periode tot zijn drieëntwintigste verjaardag komt naar vaste rechtspraak [4] voor zijn risico. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.
5.7.
Het beroep van appellant op artikel 1a:3 eerste lid, van de Wajong, slaagt niet. Dit artikellid is alleen van toepassing als een belanghebbende op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong in de vijfjaarsperiode alsnog als jonggehandicapte wordt aangemerkt. Dat is in het geval van appellant niet aan de orde.
5.8.
Het beroep van appellant op het VN-Gehandicaptenverdrag slaagt niet. Van discriminatie op grond van handicap, die in strijd is met (het rechtstreeks werkende) artikel 5, eerste en tweede lid, van het VN-Gehandicaptenverdrag, is geen sprake. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, [5] heeft de wetgever bij het inrichten van het socialezekerheidsstelsel een ruime “margin of appreciation”. In artikel 1a:1 van de Wajong heeft de wetgever de twee doelgroepen gedefinieerd die als jonggehandicapten worden aangemerkt. Met het definiëren van deze doelgroepen, en met de bepalingen over de vijfjaarstermijn, is de wetgever binnen de grenzen van de hem toekomende beoordelingsmarge gebleven. Dat appellant niet aan de voorwaarden voldoet om binnen de twee doelgroepen als jonggehandicapte te worden aangemerkt en daarom geen recht heeft op inkomensondersteuning op grond van de Wajong, wil niet zeggen dat hij als gehandicapte gediscrimineerd wordt. Voor prejudiciële vragen is verder geen aanleiding.
5.9.
Het beroep dat appellant ter zitting heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Er is geen sprake van een bijzonder geval waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard zozeer in strijd is met het ongeschreven recht, dat er op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Ook zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering onevenwichtig moet worden geacht. Het besluit is voor appellant niet onredelijk bezwarend.
5.10.
Uit 5.4 tot en met 5.9 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat appellant van [geboortedatum] 2013 tot [geboortedatum] 2018 duurzaam geen arbeidsvermogen had en dat hij daarom geen jonggehandicapte is.
5.11.
Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van appellant ongegrond is, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de proceskosten van appellant te vergoeden. Wat appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd, slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1348.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 28 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2721 en van 26 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:185.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 18 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1356, en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477.
5.Zie de uitspraken van de Raad van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:20 en ECLI:NL:CRVB:2025:29.