ECLI:NL:CRVB:2026:24
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering van Wajong-uitkering op basis van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Limburg. De appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, had een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) was geweigerd. De appellant stelde dat hij vanaf zijn achttiende jaar duurzaam geen arbeidsvermogen had, maar de Raad oordeelde dat het Uwv terecht had geweigerd de uitkering toe te kennen. De Raad concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat de appellant in de relevante periode van [geboortedatum] 2013 tot [geboortedatum] 2018 duurzaam arbeidsongeschikt was. De rechtbank had eerder het beroep van de appellant ongegrond verklaard, en de Raad onderschreef deze conclusie. De Raad oordeelde dat de informatie van Met GGZ niet voldoende was om aan te tonen dat er sprake was van een duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De Raad wees erop dat de appellant in de periode van 2016 tot en met 2018 zonder aantoonbaar frequent verzuim had gewerkt, wat niet wijst op arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. De appellant kreeg geen proceskostenvergoeding omdat het hoger beroep niet slaagde.