ECLI:NL:CRVB:2019:1348

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 april 2019
Publicatiedatum
18 april 2019
Zaaknummer
17/2528 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 5 AAWArt. 6 lid 1 sub b AAW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering Wajong wegens ontbreken medische gegevens op 17-18-jarige leeftijd

Appellant, geboren in 1966, vroeg een beoordeling van zijn arbeidsvermogen op grond van de Wajong 2015 aan, welke door het UWV werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat hij jonggehandicapt was op 17-18-jarige leeftijd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat het ontbreken van medische gegevens voor risico van appellant kwam.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische problematiek, waaronder chronische PTSS, al op jonge leeftijd bestond en verwees naar verklaringen van zijn huisarts en GZ-psycholoog, alsmede naar vrijstelling van sollicitatieplicht en dienstplicht. De Raad oordeelde echter dat deze informatie onvoldoende aanknopingspunten bood om beperkingen op 17-18-jarige leeftijd vast te stellen.

De Raad bevestigde dat de beoordeling van de aanspraak op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) moet plaatsvinden, gezien de geboortejaar van appellant, en dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast bij de aanvrager ligt. Omdat appellant geen medische informatie kon overleggen die het functioneren op 17-18-jarige leeftijd duidelijk maakt, werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd wegens onvoldoende medische gegevens over arbeidsongeschiktheid op 17-18-jarige leeftijd.

Uitspraak

17.2528 WAJONG

Datum uitspraak: 18 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
27 februari 2017, 16/1035 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.H.A. Augustin, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren [in] 1966, heeft een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) ingediend die op 22 oktober 2015 is ontvangen. Bij besluit van 7 januari 2016 heeft het Uwv, na onderzoek door een verzekeringsarts, de aanvraag afgewezen op de grond dat niet vast te stellen is of appellant jonggehandicapte is. Bij besluit van 26 februari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
1.2.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende de beroepsprocedure heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 januari 2017 (bestreden besluit 2) genomen, waarbij het bezwaar opnieuw ongegrond is verklaard. Aan dit besluit ligt een nieuw rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De rechtbank heeft het beroep, op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens gericht geacht tegen bestreden besluit 2 en dit besluit betrokken bij de beoordeling van het beroep.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv bij het bestreden besluit 2 opnieuw op het bezwaar heeft beslist en de grondslag van de afwijzing heeft gewijzigd. De beoordeling van de aanvraag van appellant had namelijk moeten plaatsvinden op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), wat niet was gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit 2 ten grondslag ligt zorgvuldig is verricht en dat appellant geen informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van de gezondheid van appellant op zeventien-/achttienjarige leeftijd. Voor zover de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, komt dit, gelet op de laattijdigheid van de aanvraag, voor risico van appellant. De medische stukken die appellant heeft overgelegd, leiden niet tot een ander oordeel.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn psychische problematiek, een chronische PTSS, al op zeventien- en achttienjarige leeftijd aanwezig was. In dit verband heeft hij gewezen op de informatie die zijn huisarts en behandelend GZ-psycholoog hebben verstrekt. Appellant heeft betoogd dat het feit dat de gemeente hem naar eigen zeggen wegens psychische klachten heeft vrijgesteld van de sollicitatieplicht een aanknopingspunt biedt voor het aannemen van beperkingen voorafgaand aan het achttiende levensjaar. Ook het feit dat hij geen dienstplicht hoefde te vervullen, is volgens appellant een indicatie dat hij op achttienjarige leeftijd niet in staat was zich staande te houden in de maatschappij dan wel in elk geval niet kon werken. Appellant heeft een beroep gedaan op twee uitspraken van de Raad (van 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4391, en van 25 maart 2016,ECLI:NL:CRVB:2016:1079) waarin eveneens sprake was van een laattijdige aanvraag en waarin wel aanknopingspunten voor beperkingen op zeventien- en achttienjarige leeftijd zijn aangenomen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Zoals is uiteengezet in de uitspraak van de Raad van 8 april 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:1111 moet, omdat appellant is geboren vóór 1980, de beoordeling van zijn aanspraken plaatsvinden aan de hand van het bepaalde in de AAW. Dat de aanvraag pas op of na 1 januari 2010 is ingediend doet daaraan niet af. In dit geval is artikel 5 van Pro de AAW van toepassing, zoals dat vanaf 1 augustus 1993 luidde:
Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
4.1.2.
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij zeventien jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
4.2.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat, omdat appellant is geboren in 1966, de beoordeling van zijn aanspraken moet plaatsvinden aan de hand van het bepaalde in de AAW. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag als die van appellant naar vaste rechtspraak bij de aanvrager ligt, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen (zie onder meer de uitspraken van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240, en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477).
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de AAW. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat informatie over de medische situatie op zeventien- en achttienjarige leeftijd ontbreekt. De informatie van de huisarts en behandelend GZ-psycholoog biedt onvoldoende aanknopingspunten om de belastbaarheid op zeventien- en achttienjarige leeftijd vast te stellen. De huisarts heeft laten weten dat de digitale gegevens waarover hij beschikt teruggaan tot 1993 en daarin geen gegevens zijn te vinden over psychiatrische onderzoeksgegevens die zicht geven op het functioneren van appellant omstreeks zijn achttiende levensjaar. Zowel het Uwv als appellant heeft informatie over de dienstplichtkeuring opgevraagd, maar deze informatie is niet verschaft. Dat de gemeente appellant op een gegeven moment heeft vrijgesteld van de sollicitatieplicht, biedt geen informatie over het functioneren van appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische informatie ingebracht die ziet op zijn gezondheidstoestand en functioneren op die leeftijden. De uitspraken waar appellant in hoger beroep naar heeft verwezen, maken het oordeel niet anders. In die zaken was (juist) wél informatie met aanknopingspunten voor beperkingen op zeventien- en achttienjarige leeftijd van de aanvrager aanwezig.
5. Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2019.
(getekend) R.E. Bakker
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC