Deze uitspraak betreft het hoger beroep van een appellant die de Korte Officiers Opleiding (KOO) volgde en later bevorderd werd tot vaandrig/kornet, terwijl cadetten van de Militair-Wetenschappelijke Opleiding (MWO) eerder tot tweede luitenant werden bevorderd. De Raad oordeelde eerder dat dit verschil in bevorderingsmoment in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. De staatssecretaris stelde daarop een compensatieregeling in.
De appellant verzocht om terugwerkende bevordering tot tweede luitenant per datum afronding KOO, wat werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit deels en wees de staatssecretaris aan tot vergoeding van proceskosten. De Raad bevestigt dat het bedrag van € 1.200,- uit categorie 1 van de compensatieregeling in het algemeen toereikend is, maar erkent dat bijzondere omstandigheden afwijking kunnen rechtvaardigen. In deze zaak zijn die omstandigheden niet aanwezig.
De Raad vernietigt het besluit voor zover de vergoeding van kosten in bezwaar op € 597,- is gesteld en veroordeelt de staatssecretaris tot een hogere vergoeding van € 1.332,-. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en het griffierecht. Het hoger beroep van de staatssecretaris is ingetrokken, waardoor de uitspraak zich richt op de appellant.