ECLI:NL:CRVB:2022:226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gelijkheidsbeginsel en bevordering tot tweede luitenant bij KOO en MWO cadetten
De zaak betreft een hoger beroep van een KOO-cadet die zich beroept op het gelijkheidsbeginsel vanwege een verschil in bevorderingsmoment tot tweede luitenant ten opzichte van MWO-cadetten. De staatssecretaris had het bezwaar primair niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair ongegrond, stellende dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen beide groepen cadetten.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat beide groepen cadetten beschikken over een gelijkwaardig bachelordiploma en dezelfde onderdelen van de beroepsopleiding (BO 1 tot en met 4) hebben gevolgd. De vervolgopleiding (VTO) is voor beide groepen gelijk en voltooit de officiersopleiding. De Raad oordeelt dat de cadetten op de rechtens relevante aspecten gelijke gevallen zijn en dat het verschil in bevorderingsmoment daarom niet gerechtvaardigd is.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor zover deze het bezwaar ongegrond verklaarden. De staatssecretaris wordt opgedragen opnieuw te beslissen en de appellant met terugwerkende kracht te bevorderen tot tweede luitenant vanaf het moment van afronding van BO 1 tot en met 4. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het verschil in bevorderingsmoment tot tweede luitenant tussen KOO- en MWO-cadetten is onrechtmatig en appellant wordt gelijk behandeld met MWO-cadetten.