In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellanten tegen besluiten van het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland, die de bijstand van appellanten heeft ingetrokken en herzien over een periode van twaalf maanden, en een boete heeft opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellanten, die sinds 9 juli 2014 bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet, hebben niet gemeld dat zij transacties met voertuigen hebben verricht en kasstortingen op hun bankrekening hebben ontvangen. Het dagelijks bestuur heeft vastgesteld dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden, omdat zij geen melding hebben gemaakt van deze transacties en stortingen. De Raad voor de Rechtspraak heeft de zaak behandeld en op 16 december 2025 uitspraak gedaan. De Raad oordeelt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de voertuigen uitsluitend voor eigen gebruik waren en dat de kasstortingen geen inkomen zijn. De Raad bevestigt de besluiten van het dagelijks bestuur en legt de boete van € 722,98 in stand. De hoger beroepen van appellanten worden afgewezen, en zij krijgen geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.