Appellanten ontvingen bijstand volgens de WWB. Het college trok de bijstand over diverse maanden in vanwege het niet melden van autokentekens en vermeende transacties met auto's als handelsobjecten. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat voor de maand mei 2001 onvoldoende grond is om aan te nemen dat de auto als handelsobject werd verkocht; de intrekking over die maand is daarom onrechtmatig. Voor de periode januari 2002 tot juli 2009 is het college wel bevoegd tot intrekking en terugvordering vanwege schending van de inlichtingenplicht.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor mei 2001 en herroept het terugvorderingsbesluit, stelt het terugvorderingsbedrag bij van €35.569,95 naar €34.258,33 en veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten.