ECLI:NL:CRVB:2025:1900

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/604 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en vaststelling draagkracht op basis van gokinkomsten

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten door het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. De appellant, die onder bewind is gesteld, ontving een uitkering op grond van de Ziektewet en had een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter hoogte van € 119,69 per maand. Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat de draagkracht van de appellant, gebaseerd op zijn inkomsten uit gokactiviteiten en zijn Ziektewetuitkering, niet voldoende was om de kosten van bewindvoering te dekken. De appellant stelde dat hij in bewijsnood verkeerde omdat hij geen toegang meer had tot zijn online gokaccounts om de benodigde gegevens te overleggen. De Raad oordeelde echter dat de appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen toegang meer had tot zijn accounts en dat hij ook niet had aangetoond dat hij in bewijsnood verkeerde. De Raad bevestigde dat de inkomsten uit gokken als inkomen moeten worden aangemerkt en dat deze van belang zijn voor de vaststelling van de draagkracht. De Raad concludeerde dat het college terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand had afgewezen, omdat de appellant niet de benodigde mutatie-overzichten had overgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en de appellant kreeg geen vergoeding voor zijn proceskosten.

Uitspraak

24/604 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2024, 22/3111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 16 december 2025

SAMENVATTING

In deze uitspraak gaat het over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering op de grond dat met de door appellant verstrekte gegevens de draagkracht, en daarmee het recht op bijstand, niet kan worden vastgesteld. Volgens appellant verkeert hij in bewijsnood doordat hij de gevraagde gegevens, zoals die zouden kunnen blijken uit de zogeheten wallet op zijn online gokaccount, niet meer op kan vragen en dit ook niet van hem kan worden gevergd. Daarnaast is volgens appellant het recht op bijstand al vast te stellen op basis van de door hem overgelegde bankafschriften. Appellant stelt ook dat zijn bezwaar gegrond had moeten worden verklaard en zijn bezwaarkosten hadden moeten worden vergoed. Appellant krijgt geen gelijk. Zijn hoger beroep slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Aarnoudse en mr. J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is op 5 november 2020 door de kantonrechter onder bewind gesteld. Ten tijde van belang ontving appellant een uitkering op grond van de Ziektewet. De bewindvoerder heeft op 13 juli 2021 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering ter hoogte van € 119,69 per maand. Het college heeft vervolgens nadere informatie opgevraagd, waaronder bankafschriften vanaf 1 april 2021. De bewindvoerder heeft onder meer de verzochte bankafschriften overgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft het college aanvullende gegevens opgevraagd. Dit betreft een schriftelijke verklaring per transactie van en naar [X] en [Y] van 31 mei 2021 tot en met 7 juli 2021. Het college heeft appellant gevraagd per bijschrijving duidelijk te maken wat de reden is dat hij geld van deze organisatie heeft ontvangen. Appellant heeft in reactie daarop verklaard dat hij (online) geld inzet op voetbalwedstrijden en dat hij bijna altijd wint als hij inzet en er daarom af en toe geld binnenkomt. Het gaat om gokactiviteiten bij onder meer [A]. Het college heeft vervolgens een berekening gemaakt van het inkomen van appellant in de draagkrachtperiode op basis van zijn Ziektewetuitkering en gokwinsten en de draagkracht van appellant over 13 juli 2021 tot en met 12 juli 2022 vastgesteld op € 1.507,72 op jaarbasis (€ 125,64 per maand).
1.2.
Met een besluit van 26 augustus 2021 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat de noodzakelijke kosten niet hoger zijn dan de draagkracht van appellant. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een beslissing op bezwaar van 2 november 2022 (bestreden besluit) is het college onder wijziging van de motivering bij de afwijzing gebleven. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. Nu de periode waarover de bijzondere bijstand is aangevraagd is verstreken hoeft het inkomen niet langer te worden geschat. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is met appellant besproken dat hij mutatieoverzichten van zijn gokaccounts zou overleggen om vast te kunnen stellen over welke periodes hij gokwinsten heeft gehad en wat de omvang daarvan is. Deze mutatie-overzichten zijn noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, want daarmee kan de draagkracht juist worden vastgesteld. Volgens het college is appellant gehouden deze over te leggen op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Participatiewet (PW). Appellant heeft deze gegevens niet overgelegd en hij heeft ook niet aangetoond dat hij de overzichten niet kon overleggen. Appellant heeft wel bankafschriften overgelegd over de periode van 13 juli 2021 tot en met 12 juli 2022. Op die bankafschriften zijn bijschrijvingen van diverse gokaccounts vermeld. Met de (wel) door appellant verstrekte gegevens kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van de bijzondere bijstand juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De kosten van bezwaar
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college het bezwaar gegrond had moeten verklaren. Het primaire besluit berustte niet op een juiste motivering en daarmee is het bestreden besluit een herroeping daarvan. Appellant heeft ook recht op vergoeding van de kosten in bezwaar. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens vaste rechtspraak is van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb alleen sprake indien het besluit, waartegen het bezwaar is gericht, wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Als een motiveringsgebrek wordt hersteld zonder wijziging van het rechtsgevolg is geen sprake van herroeping in de hiervoor bedoelde zin en bestaat er geen grond voor vergoeding van de kosten van bezwaar. [1]
4.1.2.
Bij het besluit van 26 augustus 2021 is de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen op de grond dat de draagkracht (gebaseerd op een schatting van het inkomen van appellant in de periode van 13 juli 2021 tot en met 12 juli 2022) de kosten van bewindvoering te boven ging, zodat er geen reden was voor toekenning van bijzondere bijstand. Op het moment van het nemen van het bestreden besluit hoefde het college, vanwege het verstrijken van de tijd, echter niet meer uit te gaan van een schatting van de draagkracht, maar kon worden uitgegaan van de feitelijke draagkracht in die periode. Uit het onderzoek daarnaar heeft het college geconcludeerd dat appellant ondanks het verzoek daartoe niet de voor de vaststelling van de draagkracht benodigde stukken heeft overgelegd. Bij het bestreden besluit heeft het college daarom de afwijzing gehandhaafd, onder de (gewijzigde) motivering dat het recht op bijzondere bijstand niet is vast te stellen. Met het bestreden besluit is het rechtsgevolg van het besluit van 26 augustus 2021 dus niet gewijzigd. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat geen sprake is geweest van herroeping van het bestreden besluit, zodat geen aanleiding bestond de kosten in bezwaar te vergoeden.
De afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand
4.2.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald wanneer iemand recht heeft op bijzondere bijstand. Niet in geschil is dat de bewindvoeringskosten zich voordoen en dat zij noodzakelijke en uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende bestaanskosten zijn. In geschil is of (kan worden vastgesteld of) de kosten kunnen worden voldaan uit het inkomen van appellant. In het geval van appellant moet het recht op bijstand worden beoordeeld over de periode van 13 juli 2021 (datum aanvraag) tot en met 12 juli 2022.
4.2.1.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.3.
Voor zover appellant stelt dat de aangevallen uitspraak niet conform de geldende rechtspraak van de Raad [3] is omdat het gokken geen activiteit betreft die is gericht op het verwerven van inkomsten en ook geen sprake is van inkomen waar appellant redelijkerwijs over kan beschikken, slaagt die stelling niet.
4.3.1.
Op grond van vaste rechtspraak zijn bedragen die worden ontvangen met online gokken aan te merken als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW, omdat de bedragen op een bankrekening kunnen worden gestort waar een betrokkene er vrij over kan beschikken. Daarmee zijn die bedragen ook direct in te zetten voor de kosten van levensonderhoud. Dat geldt ook voor gewonnen bedragen die niet worden overgemaakt naar een bankrekening, maar die mogelijk opnieuw worden ingezet om te gokken. [4]
4.4.
Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat alle bedragen die appellant wint met online gokken – ook de bedragen die niet op zijn bankrekening zijn bijgeschreven – als inkomen moeten worden aangemerkt. De ingelegde bedragen dienen op de gewonnen bedragen in mindering te worden gebracht. Ook deze grond slaagt niet.
4.4.1.
Op grond van vaste rechtspraak is bij de vaststelling van het in het kader van de PW in aanmerking te nemen inkomen geen plaats voor verrekening van verwervingskosten. Een andere uitleg zou er toe leiden dat een betrokkene zou kunnen beschikken over een inkomen boven de bijstandsnorm, te weten de inkomsten uit zijn gokactiviteiten én de verleende bijstand. Om die reden kunnen de inlegkosten bij gokactiviteiten niet in mindering worden gebracht op de ontvangen bedragen. [5]
4.5.
De aangevallen uitspraak is volgens appellant ook niet conform de overige rechtspraak van de Raad over gokinkomsten. [6] Appellant stelt dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld aan de hand van de vuistregel dat, bij gebrek aan een administratie, de inleg even hoog is als de opbrengst. Appellant voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de ontvangen bedragen, anders dan het geval is bij gokactiviteiten in een gokinstelling, voor online gokactiviteiten over de maand waarin de activiteiten zijn verricht precies kunnen worden vastgesteld. Deze gronden slagen niet.
4.5.1.
De uitspraak waarnaar appellant verwijst gaat over gokken in een gokinstelling. De Raad heeft in die uitspraak tot uitdrukking gebracht dat het bij gokken in een gokinstelling nagenoeg onmogelijk is om de gokopbrengsten vast te stellen, al dan niet schattenderwijs. Hierbij heeft de Raad overwogen dat wel aan de hand van pinopnames in een gokinstelling de verrichte gokactiviteiten en de daarmee verkregen bedragen aannemelijk kunnen worden gemaakt, omdat bij gokactiviteiten in een gokinstelling kan worden uitgegaan van de vooronderstelling dat de inkomsten daaruit – ongeacht welk gokspel is gespeeld – gelijk zijn aan de ingelegde bedragen.
4.5.2.
Anders dan bij een bezoek aan een gokinstelling is het bij onlinegokken in beginsel wél mogelijk om met een verifieerbare administratie of boekhouding te komen waarin is opgenomen welke bedragen bij welk gokspel zijn ingezet, welk bedrag per speelbeurt is gewonnen en of en, zo ja, in hoeverre bij welk gokspel de ontvangen bedragen eventueel weer opnieuw zijn ingezet. Bij online gokken worden namelijk al deze gebeurtenissen geregistreerd in het gokaccount van de betrokkene. Ook in het geval van appellant kan ervan worden uitgegaan dat via zijn gokaccount(s) een overzicht verstrekt kan worden van de bedragen die hij bij het gokken heeft ingezet, de bedragen die per speelbeurt zijn gewonnen en of en, zo ja, in hoeverre de met het gokken ontvangen bedragen eventueel weer opnieuw zijn ingezet. [7]
4.5.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inkomsten uit gokken inkomsten zijn die kunnen worden aangewend voor de kosten van levensonderhoud en dus van belang zijn voor het bepalen van de draagkracht van appellant. Ook is terecht gesteld dat het voor het vaststellen van de draagkracht nodig was om inzicht te hebben in de mutaties en te beschikken over de mutatie-overzichten van de gokaccounts.
4.6.
De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat tijdens de hoorzitting op 28 juli 2022 bij de bezwaarschriftencommissie met (de gemachtigde van) appellant is afgesproken dat de mutatie-overzichten van de gokaccounts (Trustly Group en Betent B.V.) over zouden worden gelegd en dat dit niet is gebeurd. Appellant stelt dat de accounts zijn afgesloten en hij sindsdien niet meer bij de informatie kan komen. Hij verkeert in bewijsnood en kan onmogelijk een verifieerbare administratie overleggen. Ook kan niet redelijkerwijs van hem worden gevergd nog eens in te loggen op de accounts, mede gezien zijn verslavingsgevoeligheid. Omdat hij in bewijsnood verkeert kan in zijn geval worden volstaan met de overgelegde bankafschriften. De Raad volgt appellant daarin niet.
4.6.1.
Het betoog van appellant dat hij in bewijsnood verkeert omdat hij geen toegang meer had tot zijn accounts, treft al geen doel omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang meer had of kon krijgen tot zijn accounts. Appellant heeft weliswaar beschreven dat het hem en zijn bewindvoerder niet is gelukt om de mutatie-overzichten uit de wallets te verkrijgen, maar hieruit blijkt niet dat appellant daadwerkelijk niet meer (en zo nodig tijdelijk) kon inloggen in zijn online gokaccounts. Daarnaast heeft het college ter zitting overtuigend toegelicht dat het ook bij een gesloten account en een zogeheten gok-stop (zonder opnieuw gokactiviteiten te ontplooien) mogelijk blijft de spelactiviteit uit het verleden op te vragen, zodat ook wat dat aangaat geen sprake is van bewijsnood. De Raad volgt dit en is van oordeel dat van appellant ook kon worden gevergd de overzichten te verstrekken. Voor zover bij appellant sprake is van verslavingsgevoeligheid en hij om die reden uit de buurt van zijn gokaccounts moet blijven, had hij een derde, bijvoorbeeld zijn gemachtigde of bewindvoerder, daarop kunnen laten inloggen met zijn inlogcodes.
4.7.
Omdat niet kan worden gezegd dat sprake is van bewijsnood aan de kant van appellant, slaagt de beroepsgrond niet dat in dit geval voor de bepaling van de draagkracht kon worden volstaan met de informatie zoals die blijkt uit de overgelegde bankafschriften.
4.8.
Aangezien de benodigde mutatie-overzichten niet zijn verstrekt, was het recht op bijstand niet vast te stellen, zodat de aanvraag om bijzondere bijstand terecht is afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) M.S. van Veller

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. […]
Artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. […]
Artikel 35, tweede lid, van de Participatiewet
Onverminderd paragraaf 2.2 heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8044, en 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:992.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
3.Zie de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:629.
4.Zie de uitspraken van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1810, en 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798.
5.Zie de uitspraak van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2320.
6.Uitspraak van 4 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:482.
7.Vergelijk de uitspraak van 6 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:761.