ECLI:NL:CRVB:2025:1700

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
23/2436 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afwijzing bijzondere bijstand voor intakekosten bewindvoering

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, waarin de rechtbank oordeelde dat het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering met terugwerkende kracht moest verlenen. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag om bijstand te laat was ingediend, maar dat er bijzondere omstandigheden waren die verlening met terugwerkende kracht rechtvaardigden. Het college was het hier niet mee eens en stelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die deze verlening rechtvaardigden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college zich terecht op dat standpunt stelde, maar dat de motivering van de afwijzing onvoldoende was. De Raad oordeelde dat het college de gevraagde bijstand voor de intakekosten moest toekennen, omdat het college bij herhaling met terugwerkende kracht bijzondere bijstand had toegekend voor andere kosten, wat in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, maar met verbetering van gronden, en veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene.

Uitspraak

23/2436 PW
Datum uitspraak: 4 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2023, 22/2461 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)
[betrokkene] te [vestigingsplaats] (betrokkene) in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde]

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een aanvraag op grond van de Participatiewet (PW) om bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college die bijstand op grond van het evenredigheidsbeginsel met terugwerkende kracht moet verlenen. Het college is het daarmee niet eens. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die verlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen en dat ook het evenredigheidsbeginsel daartoe niet noopt. De Raad oordeelt dat het college zich terecht op dat standpunt stelt. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Raad is van oordeel dat het college in dit geval de weigering van verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht voor de periodieke kosten van de bewindvoering onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het college dat motiveringsgebrek niet kan herstellen. Dit betekent dat het college voor die kosten toch met terugwerkende kracht bijstand moet verstrekken.

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.N.G. Brok, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen voorafgaand aan de zitting gewezen op onder meer de conclusie van advocaat-generaal De Bock van 10 november 2023 [1] en de onderwerpen die de Raad voornemens was ter zitting te gaan behandelen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.B.H. Vermeulen. Voor betrokkene zijn verschenen mr. Brok en mr. M. Heuverling, advocaat. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken onder nummer 23/2420 PW, 23/2421 PW en 24/2435 PW. In al deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij beschikking van 27 december 2021, verzonden diezelfde dag, heeft de kantonrechter bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde] (onderbewindgestelde), omdat hij niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van betrokkene als bewindvoerder.
1.2.
Met ingang van 14 februari 2022 woont de onderbewindgestelde in de gemeente ’sHertogenbosch . Voordien verbleef de onderbewindgestelde in een afkickkliniek in de gemeente [naam gemeente] . Betrokkene is door die kliniek op 4 februari 2022 ingelicht over het vertrek van de onderbewindgestelde uit de kliniek op 14 februari 2022.
1.3.
Op 7 april 2022 heeft betrokkene ten behoeve van de onderbewindgestelde een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van de bewindvoering tot een bedrag van € 162,44 per maand en bankkosten.
1.4.
Het college heeft met een besluit van 20 mei 2022 bijzondere bijstand toegekend voor de gevraagde periodieke kosten vanaf 7 april 2022 en de bankkosten.
1.5.
In datzelfde besluit van 20 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 26 september 2022 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering over de periode van 14 februari 2022 tot 7 april 2022 afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. De periodieke kosten van bewindvoering zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. Uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de Beleidsregels Bijzondere bijstand 2021 III ’s-Hertogenbosch (Beleidsregels) volgt dat betrokkene vóór 14 februari 2022 de aanvraag om bijzondere bijstand had moeten indienen omdat betrokkene per 27 december 2021 is benoemd tot bewindvoerder en de onderbewindgestelde sinds 14 februari 2022 woont in de gemeente ’s-Hertogenbosch . Zij heeft niet duidelijk gemaakt waarom zij daartoe niet in staat was. Er is geen bijzondere omstandigheid voor verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. De verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht in andere zaken voor de kosten van eindafrekening en voor bankkosten berust op een fout en die fout hoeft niet te worden herhaald door ook met terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen voor de gevraagde periodieke kosten van bewindvoering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 20 mei 2022 te herroepen en te bepalen dat, voor zover van belang, de aanvraag om bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering over de periode van 14 februari 2022 tot 7 april 2022 met terugwerkende kracht wordt toegekend tot een bedrag van € 297,36. De rechtbank heeft hiertoe verwezen naar haar uitspraak van 30 mei 2023. [2] Volgens de rechtbank vond de onderbewindstelling in dit geval weliswaar plaats op 27 december 2021, maar de onderbewindgestelde verhuisde pas op 14 februari 2022 naar de gemeente ’s-Hertogenbosch . Betrokkene moest op dat moment nog een DigiD aanvragen voor de onderbewindgestelde en ook E-herkenning. Van de onderbewindgestelde kon evenmin worden verlangd en verwacht dat hij zelf een dergelijke aanvraag indient. Het niet toekennen van bijzondere bijstand voor daadwerkelijk gemaakte bewindvoeringskosten, terwijl de aanvraag vanwege een verschoonbare reden te laat is ingediend, is een omstandigheid die naar het oordeel van de rechtbank niet strookt met wat de wetgever met artikel 44, eerste lid, van de PW kan hebben bedoeld.
Het standpunt van het college
3.1.
Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij stelt zich op het standpunt dat er geen grond is voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. Het college heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Uitgangspunt is dat bijstand op grond van artikel 44, eerste lid, van de PW niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dat artikel biedt verder geen ruimte voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel, voor zover dat verder strekt dan het aannemen van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn hier niet gebleken. Volgens het college zijn de bewindvoeringskosten in dit geval ontstaan op 27 december 2021. De onderbewindgestelde woonde echter per 14 februari 2022 in de gemeente ’s-Hertogenbosch . Op grond van het gevoerde beleid had de aanvraag uiterlijk op die datum ingediend moeten worden. In dit geval is de aanvraag pas op 7 april 2022 ingediend. Op dat moment kwamen de voor de aanvraag gemaakte kosten van bewindvoering niet meer voor bijzondere bijstand in aanmerking. In de praktijk accepteerde het college nog wel een overschrijdingstermijn van twee weken tot na de datum van de beschikking tot onderbewindstelling van de kantonrechter, maar de aanvraag is niet binnen die termijn ingediend.
Het standpunt van betrokkene
3.2.
Betrokkene heeft – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft niet eerder dan op 7 april 2022 bijzondere bijstand kunnen aanvragen. De praktijk van het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in de gemeente ’sHertogenbosch is een stuk genuanceerder dan het college doet voorkomen. De indiening van een aanvraag met gebruik van DigiD en een digitaal formulier voorafgaand aan de onderbewindstelling kan redelijkerwijs niet worden gevergd van de onder bewind te stellen persoon en ook niet van de (potentiële) bewindvoerder. Bovendien beschikt de (potentiële) bewindvoerder op dat moment nog niet over de benodigde DigiD van de onder bewind te stellen persoon. Voorts is de onderbewindgestelde pas per 14 februari 2022 in de gemeente ’sHertogenbosch komen wonen, zodat een vóór die datum ingediende aanvraag per definitie afgewezen had moeten worden door het college op grond van artikel 40, tweede lid, van de PW. Voor de (potentiële) bewindvoerder is het verder onmogelijk om via het bewindvoerdersportaal met behulp van e-herkenning alvast een aanvraag te doen, omdat hij daartoe geen toegang heeft voorafgaand aan het bewind. Daarnaast volgt uit de website van de gemeente ’s-Hertogenbosch dat bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten alleen digitaal aangevraagd kan worden met DigiD van de onderbewindgestelde of door indiening van een aanvraag in het bewindvoerdersportaal. De website vermeldt niet dat een papieren aanvraag ook mogelijk is. Ook overigens was het niet mogelijk eerder dan op 7 april 2022 een schriftelijke aanvraag in te dienen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel in dit geval noopt tot toekenning van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad verwijst daartoe allereerst naar artikel 44, eerste lid, van de PW en zijn vaste rechtspraak over dat artikellid. De Raad gaat vervolgens in op het beleid van het college en komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt, maar dat het bestreden besluit toch terecht is vernietigd op grond van wat betrokkene overigens in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de periodieke kosten van de bewindvoering zijn ontstaan op 27 december 2021 en dus vóór de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, te weten 7 april 2022. Tussen partijen is in geschil of voor die kosten aanspraak bestaat op verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht vanaf 14 februari 2022.
Terugwerkende kracht bijzondere bijstand
4.2.
Voor kosten die zijn ontstaan vóór de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). [3] Zoals vaker overwogen [4] kunnen zulke omstandigheden zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [5]
Bijzondere omstandigheden
4.3.
Het college heeft terecht aangevoerd dat in dit geval bijzondere omstandigheden voor verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht vanaf 14 februari 2022 ontbreken. Wat betrokkene heeft aangevoerd over de onmogelijkheid om eerder dan 7 april 2022 een aanvraag in te dienen, kan haar niet baten. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was om eerder dan op 7 april 2022 een schriftelijke aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 43, eerste lid, van de PW in te dienen bij het college. [6] Zij wist immers op 4 februari 2022 al van de voorgenomen verhuizing. Eventuele onbekendheid met wet- of regelgeving of het door betrokkene gestelde gebrek aan voorlichting van de zijde van de bijstandverlenende instantie is in het algemeen niet een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat toch bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend. Dit is vaste rechtspraak. [7] Dit geldt te minder voor een professionele hulpverlener die als bewindvoerder optreedt in een geval waarin bijzondere bijstand nodig is om de kosten van die bewindvoering te kunnen betalen.
Beleid van het college
4.4.
Betrokkene heeft haar aanvraag om bijzondere bijstand ingediend op 7 april 2022. Op dat moment golden de Beleidsregels, vastgesteld op 7 december 2021 en gepubliceerd in het Gemeenteblad op 10 december 2021. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels komen kosten van bewindvoering die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dit artikellid is daarmee in lijn met het in artikel 44, eerste lid, van de PW opgenomen uitgangspunt. Voor zover in artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregels is opgenomen dat van het derde lid kan worden afgeweken indien de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen of er andere bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verlenen, volgt de Raad het standpunt van het college dat hiermee niets anders is beoogd dan een weergave van de in 4.2 vermelde vaste rechtspraak over de uitleg van artikel 44, eerste lid, van de PW.
4.5.
Het college heeft in hoger beroep bevestigd dat ten tijde van belang bij aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in de praktijk een zogeheten overschrijdingstermijn van tien werkdagen (twee weken) vanaf de datum van ontvangst van de beschikking van de kantonrechter werd gehanteerd. Voor zover het college daarmee als regel van beleid bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleende, zonder dat sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld onder 4.2, dient dit beleid te worden gekwalificeerd als tegenwettelijk beleid. Het beleid gaat immers in tegen de wettelijke bepaling, die terugwerkende kracht van een aanvraag om bijstand uitsluit. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 15 mei 2025 [8] heeft overwogen, wordt tegenwettelijk beleid als gegeven aanvaard en niet exceptief getoetst. Evenmin wordt getoetst of het bestuursorgaan ten gunste van de betrokkene moet afwijken van dit beleid. Wel dient te worden beoordeeld of het college met het bestreden besluit het beleid juist heeft toegepast. Nu betrokkene haar aanvraag buiten de bedoelde termijn van twee weken of tien werkdagen heeft ingediend, is dat het geval.
Evenredigheidsbeginsel
4.6.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het evenredigheidsbeginsel in dit geval niet noopt tot verlening van bijzondere bijstand voor de periodieke kosten van bewindvoering met terugwerkende kracht vanaf 14 februari 2022. Artikel 44, eerste lid, van de PW – zoals uitgelegd in 4.2 met verwijzing naar vaste rechtspraak over dat artikellid – schrijft als wet in formele zin dwingend voor dat, behoudens bijzondere omstandigheden, vóór de aanvraag gemaakte kosten niet voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen [9] staat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van die bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De essentie van een dwingend geformuleerde termijnbepaling als artikel 44, eerste lid, van de PW is dat degene die niet of niet tijdig zijn aanvraag indient zijn rechten verspeelt, ook als hij daardoor financieel of anderszins wordt gedupeerd. Deze essentie kan de wetgever bij het vaststellen van deze wetsbepaling, mede gelet op de ondubbelzinnige tekst ervan, niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever deze gevolgen heeft bedoeld en voorzien. Dat de wetgever in deze context niet expliciet de situatie van onderbewindstelling en de daarbij betrokken belangen heeft afgewogen, maakt niet dat – anders dan in de aangevallen uitspraak besloten lijkt te liggen – die situatie niet in de wetgeving is verdisconteerd. [10]
Devolutieve werking hoger beroep
4.7.
Uit 4.6 volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college met de afwijzing van de aanvraag om verlening van bijzondere bijstand voor de intakekosten van de bewindvoering het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt vervolgens met zich dat de Raad de door de rechtbank onbesproken gelaten gronden van het beroep moet beoordelen.
Motiveringsbeginsel en gelijkheidsbeginsel
4.8.
Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit, onder meer en voor zover van belang, aangevoerd dat de weigering om met terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen voor de periodieke kosten van de bewindvoering zich niet verdraagt met de verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht voor de gevraagde bankkosten. Ook die kosten zijn ontstaan voor de indiening van de aanvraag. Betrokkene bestrijdt dat de toekenning van bijstand voor die kosten berust op een fout. Zij heeft daartoe drie afzonderlijke besluiten van het college overgelegd. Bij besluit van 14 februari 2022 heeft het college met terugwerkende kracht bijzondere bijstand verleend voor de kosten van eindafrekening van bewindvoering tot een bedrag van € 246,84. Bij besluit van 23 februari 2022 heeft het college met terugwerkende kracht bijzondere bijstand verleend voor de kosten van eindafrekening van bewindvoering tot een bedrag van € 319,44. Bij besluit van 13 april 2022 heeft college met terugwerkende kracht bijzondere bijstand verleend voor bankkosten tot een bedrag van € 6,-. Volgens betrokkene blijkt uit die besluiten dat in dit geval de toekenning van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht voor een deel van de gevraagde bewindvoeringskosten niet berust op een fout. Betrokkene heeft ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Dit betoog van betrokkene treft doel.
4.9.
Vaststaat dat het college aan betrokkene bijzondere bijstand heeft verleend voor bankkosten. Niet in geschil is dat die kosten – net als periodieke kosten van de bewindvoering over de periode van 14 februari 2022 tot 7 april 2022 – zijn ontstaan vóór de indiening van de aanvraag. De motivering in het bestreden besluit dat die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht berust op een fout en dat het college daarom niet ook met terugwerkende kracht bijzondere bijstand moet verlenen voor de gevraagde periodieke kosten over de periode van 14 februari 2022 tot 7 april 2022 strookt niet met de feiten die blijken uit de door betrokkene in het geding gebrachte stukken en kan het bestreden besluit daarom niet dragen. Uit de door betrokkene overgelegde besluiten blijkt namelijk dat geen sprake is van een incidentele fout. Uit de gezamenlijke behandeling van de zaken op zitting volgt dat het college bij herhaling – zoals ook in dit geval – met terugwerkende kracht bijzondere bijstand heeft toegekend voor een deel van de gevraagde bewindvoeringskosten. In de uitvoeringspraktijk van het college is gelet hierop en het ontbreken van een aannemelijke verklaring hiervoor kennelijk onduidelijkheid ontstaan over de afdoening van aanvragen om bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten, al dan niet met terugwerkende kracht, mogelijk als gevolg van diverse beleidswijzigingen en het hanteren van één of meer gedragslijnen.
4.10.
Aan het besluit van 20 mei 2022 kleeft hetzelfde gebrek als aan het bestreden besluit. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt de Raad tot het oordeel dat dat gebrek niet meer kan worden hersteld. Dit betekent dat het college in het licht van het door betrokkene ingeroepen gelijkheidsbeginsel niet anders kan dan de gevraagde bijstand voor de periodieke kosten toe te kennen. Het college wordt daarom niet in de gelegenheid gesteld om opnieuw te beslissen op het bezwaar en de aanvraag. De gevolgen van de onduidelijkheid in de uitvoeringspraktijk komen daarmee ook niet voor rekening van betrokkene, maar voor rekening van het college.

Conclusie en gevolgen

4.11.
Uit 4.9 en 4.10 volgt dat het bestreden besluit en het daarbij gehandhaafde besluit van 20 mei 2022 geen stand kunnen houden, omdat deze besluiten niet deugdelijk zijn gemotiveerd. De aangevallen uitspraak zal daarom, met verbetering van gronden, worden bevestigd. Daaruit volgt ook dat de vernietiging van het bestreden besluit, de herroeping van het besluit van 20 mei 2022 en de toekenning van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 297,36 in stand blijven.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op een bedrag van € 1.814,- voor verleende rechtsbijstand (één punt voor het verweerschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting van de Raad, met een waarde per punt van € 907,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) F. Sporrel
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, derde lid
Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Artikel 7:12, eerste lid
De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
Participatiewet
Artikel 43, eerste lid
Het college stelt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
Artikel 44, eerste lid
Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
Beleidsregels Bijzondere bijstand 2021 III ‘s-Hertogenbosch
Artikel 3, tweede, derde en vierde lid
De aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend tot 1 april van het jaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt of betrekking op hebben.
Voor de kosten genoemd in artikel 10, 12 en 15, lid 1, sub c, van deze beleidsregels en Individuele Studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b, lid 1, Participatiewet geldt dat de kosten welke gemaakt zijn voordat de aanvraag ingediend is, niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
Van het derde lid kan worden afgeweken indien:
• de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen óf
• er andere bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verlenen.
Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Voor bijzondere bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking, als zij noodzakelijk zijn op grond van bijzondere sociale of financiële omstandigheden:
kosten voor bewindvoering; de eigen bijdrage in geval van bewindvoerings/
beschermingsbewind of curatele indien door de rechtbank een beschikking is afgegeven.

Voetnoten

3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.
4.Zie uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172.
5.Zie uitspraak van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348.
6.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:906.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4242.
9.Zie de uitspraak van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.
10.Zie weer de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.