ECLI:NL:CRVB:2025:1027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie transitievergoeding wegens te late aanvraag bevestigd
In deze zaak gaat het om de afwijzing door het Uwv van een aanvraag tot compensatie van een transitievergoeding die te laat werd ingediend. Appellante had de transitievergoeding op 22 oktober 2021 betaald, waarna de loonheffing op 22 december 2021 werd afgedragen. De aanvraag om compensatie werd pas op 15 september 2022 ingediend, bijna drie maanden na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes maanden.
De rechtbank had de afwijzing bevestigd en oordeelde dat de Regeling compensatie transitievergoeding geen ruimte laat voor afwijking van de termijn. Appellante voerde aan dat de aanvraag prematuur was vanwege een latere nabetaling en dat de termijnoverschrijding op grond van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet tegen haar mocht worden gebruikt. Deze argumenten werden door de rechtbank en later door de Raad verworpen.
De Raad overwoog dat de termijn begint te lopen vanaf de datum van volledige betaling en afdracht van loonheffing, dat de Regeling een geschikte en noodzakelijke uitvoeringsregel bevat, en dat het Uwv beleid hanteert om in bijzondere gevallen van de termijn af te wijken. De omstandigheden bij appellante, waaronder het overlijden van medewerkers en personeelswisselingen, rechtvaardigen volgens de Raad geen uitzondering. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situatie niet vergelijkbaar is met eerdere zaken.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd maar passeert dat gebrek, en veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierechten ten gunste van appellante.
Uitkomst: De aanvraag om compensatie van de transitievergoeding wordt afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn, zonder dat bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.