Appellante was werkzaam als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud en viel wegens ziekte uit. Het UWV besloot op 11 november 2019 dat zij geen recht had op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellante maakte geen bezwaar tegen dit besluit, maar verzocht later terug te komen op dit besluit vanwege het vervallen van een geselecteerde functie.
Het UWV onderzocht de gevolgen van het vervallen van de functie productiemedewerker industrie en concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid nog steeds onder de 35% bleef. Appellante voerde aan dat de overige functies niet passend waren vanwege taalproblemen en medische beperkingen, maar deze stellingen werden niet met medische stukken onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat het UWV het verzoek niet volledig inhoudelijk had beoordeeld en vernietigde het besluit deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terecht niet is teruggekomen van het oorspronkelijke besluit. De Raad stelt dat het verzoek om herziening niet leidde tot nieuwe feiten of omstandigheden die een ander besluit zouden rechtvaardigen. Medische bezwaren die pas in bezwaar en hoger beroep werden aangevoerd, konden niet leiden tot een nieuwe beoordeling. Het hoger beroep wordt afgewezen en er wordt geen schadevergoeding toegekend.