ECLI:NL:CRVB:2024:236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging leeftijdscriterium voor toeslag op Ziektewetuitkering in hoger beroep
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het UWV om een toeslag op zijn Ziektewetuitkering pas toe te kennen vanaf de geboortedatum van zijn dochter in 2021 en niet al per 13 november 2020. Het UWV baseert dit op artikel 3 van Pro de Toeslagenwet (TW), waarin een leeftijdscriterium is opgenomen voor de partner van de toeslaggerechtigde. Appellant betoogt dat dit onderscheid op grond van leeftijd discriminerend is en in strijd met internationale verdragsbepalingen.
De rechtbank Rotterdam heeft het beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat het onderscheid in artikel 3 TW Pro objectief gerechtvaardigd is omdat het voortkomt uit een beleidskeuze om het traditionele kostwinnersmodel te verlaten en de arbeidsparticipatie van beide partners te stimuleren, met een overgangsregeling voor partners geboren voor 1 januari 1972.
Verder oordeelt de Raad dat toetsing van artikel 3 TW Pro aan het evenredigheidsbeginsel niet mogelijk is vanwege het toetsingsverbod in de Grondwet en het formele karakter van de wet. De door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals de verblijfsstatus van zijn partner, rechtvaardigen geen afwijking van de wettelijke regeling. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en het besluit van het UWV blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV om de toeslag pas toe te kennen vanaf de geboortedatum van de dochter in 2021 blijft in stand.