Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak betreft het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch om een aan haar toegekende schade- en proceskostenvergoeding te verrekenen met een openstaande schuld. De rechtbank had geoordeeld dat het college bevoegd was tot verrekening, maar dat de schorsende werking van het hoger beroep aan verrekening in de weg stond. Appellante betwistte dat de rechtbank deze bevoegdheid mocht toetsen en voerde aan dat de vergoeding bedoeld is voor betaling van haar rechtsbijstandverlener en niet voor verrekening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank niet buiten de omvang van het geding is getreden door de wettelijke grondslag en de redelijkheid van de verrekening te toetsen. De Raad bevestigt dat het college op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd is tot verrekening, ook van een vergoeding bedoeld voor rechtsbijstand. Het belang van de advocaat bij betaling weegt niet mee in de belangenafweging, en het nadeel voor de advocaat wordt geacht tot het bedrijfsrisico te behoren.
Verder wijst de Raad het beroep op het evenredigheidsbeginsel af, omdat appellante geen nadelige gevolgen van de verrekening aannemelijk heeft gemaakt. Ook wordt het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, aangezien de procedure binnen vier jaar is afgerond. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.