ECLI:NL:CRVB:2023:792
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij ongedaan maken bekorting loonsanctie
Verzoekster werkte als senior finance and report analist bij een werkgever en viel wegens psychische klachten uit. Het UWV legde een loonsanctie op vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever. Deze loonsanctie werd later ten onrechte bekort door het UWV. Verzoekster stelde bezwaar en beroep in tegen deze bekorting.
De rechtbank stelde vast dat het UWV de loonsanctie ten onrechte had bekort, maar oordeelde dat herstel van deze bekorting na het verstrijken van de wachttijd van 104 weken niet mogelijk is. Dit vanwege het herstelkarakter van de loonsanctie en de wettelijke beperkingen in artikel 25 Wet Pro WIA. Verzoekster kon daarom niet bereiken dat de bekorting ongedaan werd gemaakt, maar werd verwezen naar een mogelijke schadevergoeding bij het UWV.
In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. Verzoekster had onvoldoende procesbelang omdat het resultaat van het hoger beroep, het ongedaan maken van de bekorting, niet meer gerealiseerd kon worden. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Het incidenteel hoger beroep van de werkgever werd niet behandeld vanwege het voorwaardelijke karakter.
De Raad benadrukte dat de loonsanctie een herstelmaatregel is en niet bedoeld is om de werknemer een financieel voordeel te verschaffen. De uitspraak bevestigt de onmogelijkheid om een eenmaal bekorte loonsanctie na afloop van de wachttijd te herstellen, maar laat ruimte voor een schadevergoeding bij het UWV.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.