Het college van burgemeester en wethouders stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die het bezwaar van betrokkene tegen een besluit over een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wmo 2015 gegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat het college het puntensysteem in de Nadere regels 2018 niet had mogen toepassen omdat het niet voldoende was onderbouwd met onafhankelijk en deugdelijk onderzoek.
Betrokkene overleed in augustus 2020 waarna de erven het hoger beroep namens hem voortzetten en tevens een verzoek tot schadevergoeding indienden wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelt dat het college geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat het financiële belang onvoldoende is en het college geen vordering op de erven zal verhalen.
Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens kent de Raad aan de erven een schadevergoeding van €1.000 toe wegens een overschrijding van bijna negen maanden van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten toegewezen aan de erven en de Staat.