ECLI:NL:CRVB:2022:1432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogenstoeval zonder nieuwe vaststelling vermogen
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college trok de bijstand in en vorderde bedragen terug wegens meerdere vermogenstoevallen in 2018, waaronder schadevergoedingen en dwangsommen. De Raad stelde vast dat door de vermogenstoeval op 17 mei 2018 de bijstand gedurende minimaal dertig dagen werd onderbroken, waardoor de intrekking de werking van een beëindiging heeft. Het college had daarom vanaf de 31ste dag van de onderbreking opnieuw moeten vaststellen of appellante recht had op bijstand met een nieuwe vermogensvaststelling en bepaling van het vrij te laten vermogen. Dit is niet gebeurd, waardoor de besluiten niet op een deugdelijke grondslag berusten.
De Raad benadrukte dat bij een onderbreking korter dan dertig dagen geen nieuwe vaststelling nodig is, maar bij langere onderbreking wel. De eerdere uitspraak van 20 februari 2018 werd als leidraad gebruikt. Het college wordt opgedragen de gebreken in de besluiten te herstellen zonder verslechtering van de positie van appellante. Appellante moet meewerken aan het onderzoek door financiële gegevens te verstrekken. De Raad zal later beslissen over het bestreden besluit inzake de dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
Uitkomst: De Raad verklaart de bestreden besluiten niet deugdelijk en draagt het college op deze binnen zes weken te herstellen.