Uitspraak
19 317 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 december 2017 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 1996 bijstand en beschikte over een bankrekening met circa €600.000, waarvan zij het bestaan niet meldde aan het college. Het college stelde een boete vast wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het college het benadelingsbedrag niet had aangetoond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college het benadelingsbedrag voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over de rekening kon beschikken.
De Raad stelt dat de verwijtbaarheid normaal is en dat betrokkene de boete niet mag matigen op grond van financiële omstandigheden, mede omdat zij de boete reeds volledig en vrijwillig heeft betaald. Ook zijn geen dringende redenen aanwezig om van de boete af te zien. De eerdere uitspraken van de rechtbank worden vernietigd en het beroep tegen het boetebesluit wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt het belang van het melden van vermogen bij bijstandsverlening en verduidelijkt de mate van bewijs die het college moet leveren voor het benadelingsbedrag. Tevens wordt benadrukt dat verwijtbaarheid en financiële draagkracht zorgvuldig worden meegewogen bij de hoogte van de boete.
Uitkomst: De boete van €1.309,27 wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.