ECLI:NL:CRVB:2018:1868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet verstrekken bankgegevens en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1996 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een signaal over een Luxemburgse bankrekening met circa €600.000 op haar naam, onderzocht de gemeente Den Haag de rechtmatigheid van de bijstand. Appellante stelde dat het geld toebehoorde aan haar ex-echtgenoot en dat zij slechts beheerder was. Het college verzocht om diverse bankgegevens, die appellante niet verstrekte omdat zij deze niet in haar bezit had. Hierdoor werd de bijstand per 1 juni 2015 opgeschort en later ingetrokken.
Appellante voerde aan dat zij te goeder trouw had gehandeld en dat de Belastingdienst haar beroep op dwaling had geaccepteerd, waardoor het vermogen niet aan haar toebehoorde. De Raad oordeelde dat de Belastingdienstbeslissing niet bindend is voor het college en dat appellante de rekening al in 1996 had moeten melden. Het niet verstrekken van de gevraagde gegevens was verwijtbaar en rechtvaardigde de intrekking.
Verder kon appellante niet aannemelijk maken dat zij niet over het vermogen kon beschikken, ondanks verklaringen en getuigenverklaringen. De ex-echtgenoot weigerde te getuigen, wat werd aangemerkt als een beroep op verschoningsrecht. De Raad bevestigde de intrekking van de bijstand en de terugvordering van ruim €200.000 over de periode van 1 juli 1997 tot 31 mei 2015. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet verstrekken van bankgegevens en schending van de inlichtingenplicht worden bevestigd.