ECLI:NL:CRVB:2021:505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot opleggen verplichting tot procedure tegen bewindvoerder op grond van artikel 55 PW
Appellant ontving een legaat uit de nalatenschap van zijn moeder, waarbij een bewind was ingesteld vanwege zijn ongeschiktheid tot beheer. Het college kende appellant bijstand toe onder de voorwaarde dat hij de bewindvoerder zou verzoeken een toelage uit te betalen, en bij weigering een advocaat zou inschakelen om een procedure te starten.
Appellant verzette zich tegen deze verplichting en stelde dat deze inbreuk maakte op zijn recht op privéleven (artikel 8 EVRM Pro). De rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond, en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat artikel 55 PW Pro een voldoende wettelijke grondslag biedt voor de verplichting.
De Raad overwoog dat de inbreuk noodzakelijk, proportioneel en subsidiariteit voldoet, mede omdat het belang van rechtmatige bijstandverstrekking en het economisch welzijn van Nederland zwaarder wegen dan het belang van appellant om het legaat zonder inmenging te beheren. De procedure tegen de bewindvoerder is niet kansloos, gezien het testament aanknopingspunten biedt voor uitbetaling van de toelage.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verplichting tot het starten van een procedure tegen de bewindvoerder is gegrond en het hoger beroep wordt afgewezen.