Appellante ontving bijstand sinds 2013 en had sinds 5 juni 2017 een auto op haar naam geregistreerd staan, wat het college aanleiding gaf tot onderzoek en intrekking van de bijstand vanaf die datum wegens overschrijding van de vermogensgrens.
De Raad onderscheidt twee perioden: van 5 juni tot 28 september 2017 stond de auto op naam van appellante en vormde deze vermogen; zij schond haar inlichtingenplicht door dit niet te melden. In deze periode had zij geen recht op bijstand. Van 29 september 2017 tot 6 september 2018 stond de auto niet meer op haar naam. Het college kon niet aannemelijk maken dat appellante over een verkoopopbrengst beschikte, mede omdat de tenaamstelling van de auto vaak wisselde en de feitelijke eigenaar een ander was.
De Raad vernietigt het besluit over de tweede periode wegens gebrek aan feitelijke grondslag en draagt het college op om opnieuw te beslissen over het recht op bijstand vanaf 29 september 2017, inclusief een nieuwe berekening van de terugvordering. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante.