ECLI:NL:RBZWB:2023:774
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onterecht vermoeden schending inlichtingenplicht
Eiser ontving sinds januari 2020 een bijstandsuitkering die door het college per 18 december 2020 werd beëindigd en teruggevorderd over januari, augustus en oktober 2020 vanwege vermeende schending van de inlichtingenplicht over voertuigen op zijn naam.
Het college stelde dat eiser de voertuigen niet had gemeld en geen bewijs van verkoop kon overleggen, waardoor zijn recht op bijstand niet vastgesteld kon worden. Eiser voerde aan dat hij de beëindiging niet bewust had gevraagd vanwege emotionele omstandigheden en dat de voertuigen slechts tijdelijk op zijn naam stonden vanwege administratieve redenen.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht mocht vertrouwen op het verzoek tot beëindiging en dat de bedenktijd van een dag niet onredelijk was. Echter, eiser slaagde erin aannemelijk te maken dat de voertuigen geen deel uitmaakten van zijn vermogen, onderbouwd met printscreens, verklaringen en bankafschriften.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor de intrekking en terugvordering over augustus en oktober 2020. Het primaire besluit werd herroepen voor januari, augustus en oktober 2020. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet de intrekking en terugvordering over augustus en oktober 2020 herroepen.