Uitspraak
16.6895 WIA
OVERWEGINGEN
€ 262,50, dus € 131,25 ten laste van de Staat en € 131,25 ten laste van het Uwv.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als telefonist/receptionist en viel wegens rugklachten uit. Het UWV beëindigde haar WIA-uitkering per 12 augustus 2015 op grond van de conclusie dat zij geschikt was voor haar maatmanarbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad volgt de rechtbank in de medische beoordeling dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. Wel stelt de Raad vast dat appellante niet in staat is haar maatmanarbeid te verrichten in de oorspronkelijke omvang van drie dagen van acht uur per dag. De arbeidsovereenkomst is inmiddels verbroken, maar dat doet niet af aan het uitgangspunt dat de maatmanarbeid alle facetten van het werk omvat, inclusief het arbeidspatroon.
Omdat het UWV niet heeft onderzocht of herverdeling van werkzaamheden over meer dagen mogelijk of redelijkerwijs van appellante te verlangen was, en appellante al jaren niet meer bij haar vroegere werkgever werkt, is er geen aanleiding het UWV dit onderzoek alsnog te laten doen. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het eerdere besluit en stelt dat de intrekking van de uitkering geen stand houdt.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, waardoor een schadevergoeding van € 1.000,- wordt toegekend, waarvan € 111,11 voor rekening van het UWV en € 888,89 voor rekening van de Staat. Ook worden proceskosten toegekend aan appellante.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 maart 2020.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt vernietigd omdat appellante niet geschikt is voor haar maatmanarbeid in de oorspronkelijke omvang.