ECLI:NL:CRVB:2020:536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was administratief medewerker en meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen per 3 mei 2016. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen passend waren bij de geselecteerde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts en onvoldoende aandacht voor haar psychische en lichamelijke klachten. Ook stelde zij dat de functies haar mogelijkheden overschreden en verzocht zij om benoeming van een deskundige.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de medische beoordeling juist was en dat het beroep op het arrest Korošec niet slaagde. De Raad bevestigde dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.