ECLI:NL:CRVB:2019:16
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid medisch onderzoek bij WIA-uitkering herbeoordeling
Appellant, voormalig servicemedewerker tankstation, werd na ziekmelding in 2011 herbeoordeeld door het UWV in het kader van een WIA-uitkering. Het UWV stelde in 2015 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over de onvolledigheid en onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek en betwistte hij de vastgestelde belastbaarheid. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om het medisch oordeel te herzien. De Raad benadrukte dat er geen sprake was van een bijzonder geval waarbij de beperkingen van appellant anders zouden moeten worden vastgesteld.
De Raad toetste de medische rapporten, waaronder die van een neuroloog en revalidatiearts, en concludeerde dat er geen vrijwel eenduidige, consistente en medisch gemotiveerde opvatting bestond die de beperkingen van appellant zou bevestigen. De vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd als deugdelijke grondslag beschouwd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.