ECLI:NL:CRVB:2020:3229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.J.A. Kooijman
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstand
Appellant ontving bijstand vanaf juli 2013, maar het college trok deze met terugwerkende kracht in vanaf augustus 2013 omdat appellant zijn hoofdverblijf niet langer in de gemeente Heerlen had. Appellant verbleef feitelijk bij zijn vader in een andere gemeente vanwege medische redenen, maar meldde dit niet aan het college.
Het college vorderde vervolgens de ten onrechte ontvangen bijstand terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn verblijf tijdelijk was vanwege ziekte en mantelzorg en dat dit niet als schending van de inlichtingenverplichting moest worden gezien.
De Raad oordeelde dat het verblijf van acht maanden niet als tijdelijk kon worden aangemerkt en dat appellant zijn hoofdverblijf had verplaatst zonder dit te melden. De omstandigheden van zijn verblijf bij zijn vader waren niet relevant voor de beoordeling van de schending. Ook het beroep op dringende redenen om af te zien van terugvordering faalde. De opgelegde boete werd als evenredig beoordeeld. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en de boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.