ECLI:NL:CRVB:2020:3066

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
8 december 2020
Zaaknummer
18/5178 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 29 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening besluit Ziektewet wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant verzocht om herziening van het UWV-besluit van 25 juni 2010 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht had op een Ziektewetuitkering vanaf 14 mei 2008. Dit verzoek werd in 2017 afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte en in beroep ging bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de aangevoerde argumenten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormden volgens artikel 4:6 Awb Pro.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, onder meer dat psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat een medisch rapport uit 2018 als nieuw feit moest worden beschouwd. Tevens verzocht hij om een onafhankelijk deskundigenonderzoek en vergoeding van juridische kosten. Het UWV handhaafde het eerdere besluit.

De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening een herhaalde aanvraag betrof en dat appellant de bewijslast droeg om nieuwe feiten aan te tonen die het eerdere besluit konden wijzigen. De medische gegevens uit 2018 betroffen geen nieuwe feiten omdat deze waren gebaseerd op reeds bekend dossiermateriaal. Ook was het tijdvak waarvoor ziekengeld kon worden verstrekt reeds verstreken, zodat toekomstige aanspraken niet aan de orde waren. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot vergoeding van schade af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om herziening van het UWV-besluit wordt niet toegewezen.

Uitspraak

18.5178 ZW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2018, 17/6727 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 december 2020
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.I.M.M. Dierikx, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 3 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dierikx. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.
1.2.
Appellant heeft op 31 januari 2017 een verzoek om herziening van het besluit van 25 juni 2010 ingediend, waarbij het Uwv heeft beslist dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met zijn ziekmelding per 14 mei 2008. Bij besluit van 20 maart 2017 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen. Daaraan is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 maart 2017 ten grondslag gelegd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt dat - in navolging van de conclusie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 juli 2017 - bij besluit van 8 september 2017 (bestreden besluit) door het Uwv ongegrond is verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de gronden die appellant in beroep heeft aangevoerd weliswaar nieuwe argumenten zijn, maar dat deze niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft de uiteenzetting en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 juli 2017 onderschreven. Wat de verklaring van de medisch adviseur H.M.Th. Offermans van 29 juni 2018 betreft, heeft de rechtbank ook het standpunt van het Uwv gevolgd dat deze verklaring geen nieuwe medische feiten of omstandigheden oplevert, omdat Offermans medische klachten aangeeft die bij het Uwv al bekend waren. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en geenszins evident onredelijk is. Daarbij heeft de rechtbank mede in haar beoordeling betrokken dat het besluit van het Uwv van 25 juni 2010 reeds de inhoudelijke toets van de Raad heeft doorstaan, waardoor van evidente onredelijkheid om op dat besluit terug te komen alleen in zeer bijzondere omstandigheden sprake kan zijn. Volgens de rechtbank zijn dergelijke zeer bijzondere omstandigheden gesteld noch gebleken.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat wel degelijk sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Zo zijn de psychische klachten van appellant door een verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2012 onderbelicht gebleven en kampte appellant al langer met burn-out klachten. Het rapport van de medisch adviseur van 29 juni 2018 moet als een nieuw feit worden beschouwd en van de uitgebreide toelichting van die adviseur ter zitting van de rechtbank is in de aangevallen uitspraak niets terug te vinden. Appellant heeft betwist dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en er geen sprake zou zijn van een evident onredelijk besluit. Appellant heeft met een beroep op het zogenoemde Korošec-arrest verzocht om een onderzoek door een onafhankelijk deskundige alsmede om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van alle daadwerkelijk gemaakte juridische kosten.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In geding is de afwijzing door het Uwv van het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 25 juni 2010. In dat besluit van 25 juni 2010 heeft het Uwv beslist: “U wordt op 14 mei 2008 geschikt geacht voor uw eigen werk. Na 14 mei 2008 is geen exacte datum aan te geven waarop u ongeschikt bent voor uw eigen werk.”. In zijn uitspraak van 23 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2162, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank en daarmee die beslissing van het Uwv in stand gelaten, omdat hij onvoldoende aanleiding zag om te twijfelen aan de inzichtelijke en overtuigend getrokken conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv dat appellant op de voor deze zaak relevante datum, 1 augustus 2008, niet arbeidsongeschikt was voor zijn werk.
4.2.
Het Uwv heeft het verzoek van appellant aangemerkt als een herhaalde aanvraag en daarop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.3.
Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU8835) geldt dat wanneer een betrokkene verzoekt om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, de bewijslast bij de betrokkene ligt en het aan hem is om aan te geven waarom dat eerdere besluit niet juist zou zijn en van zijn stellingen het nodige bewijs te leveren.
4.4.
Ook volgt uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2031) dat nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betrekking dienen te hebben op de periode die door het primaire besluit wordt bestreken. In het onderhavige geval betreft het de periode van 14 mei 2008 tot vier weken na 1 augustus 2008, omdat appellant daarna niet meer verzekerd was voor de ZW. Daarmee verdraagt zich in beginsel niet het inschakelen van een onafhankelijk deskundige, zoals door appellant met zijn beroep op het Korošec-arrest is verzocht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4429).
4.5.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.6.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gronden die appellant heeft aangevoerd niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Die gronden voldoen immers niet aan de hierboven in 4.5 genoemde criteria. Zo kan de medische informatie die appellant met het rapport van 29 juni 2018 van verzekeringsarts Offermans in het geding heeft gebracht, niet worden aangemerkt als een nieuw feit, reeds omdat Offermans - zo meldt hij in zijn rapport - zijn bevindingen en conclusie heeft gebaseerd op het uitgebreide dossier van appellant waarop ook het Uwv de beslissing van 25 juni 2010 heeft gebaseerd. De gegevens die Offermans aldus heeft gebruikt en geïnterpreteerd, kunnen dan geen betrekking hebben op voorvallen van na het besluit van 25 juni 2010. Ook kan niet worden gezegd dat die gegevens niet vóór het besluit van 25 juni 2010 konden worden aangevoerd - zij maken immers deel uit van het dossier - en is geen sprake van het inbrengen van bewijsstukken die niet eerder konden worden ingebracht.
4.7.
Uit 4.6 volgt dat het standpunt van het Uwv dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 25 juni 2010 in beginsel dragen.
4.8.
Ter beoordeling is dan nog of wat appellant heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De Raad stelt vast dat appellant met slechts zijn verwijzingen naar zijn verzoek van 31 januari 2017 en naar de gronden in bezwaar en beroep, zijn standpunt niet heeft onderbouwd. Met de rechtbank in de aangevallen uitspraak wordt geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn voor de vaststelling dat sprake is van evidente onredelijkheid.
4.9.
Het beroep van appellant op de rechtspraak met betrekking tot duuraanspraken, zoals deze onder meer is weergegeven in de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), slaagt niet. Het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 25 juni 2010 is gedaan op een datum waarop het tijdvak waarover ziekengeld kon worden verstrekt als bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet, reeds was verstreken. Een beoordeling over eventuele aanspraken voor de toekomst kan in deze procedure dan ook niet aan de orde zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4600).
5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.9 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • bevestigt de aangevallen uitspraak,
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2020.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) A.M.M. Chevalier