Uitspraak
18.900 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 508,- wordt geheven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 525,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene heeft aanspraak gemaakt op een WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 3 maart 2016, binnen vijf jaar na eerdere weigering op 28 november 2011 en beëindiging van een WIA-uitkering op 17 december 2015. Het UWV had de beoordeling van artikel 55 Wet Pro WIA buiten beschouwing gelaten en alleen artikel 57 toegepast Pro, waarbij het een vergelijking maakte tussen de klachten op 3 maart 2016 en 17 december 2015.
De Centrale Raad oordeelt dat beide artikelen naast elkaar van toepassing kunnen zijn en dat het UWV ten onrechte artikel 55 niet Pro heeft betrokken in haar beoordeling. De Raad stelt dat voor de beoordeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid zowel een vergelijking moet worden gemaakt met de situatie op 28 november 2011 als met die op 17 december 2015, en dat bij vaststelling van toename ook moet worden onderzocht of deze voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank die het UWV opdroeg een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene en legt griffierecht op. De zaak wordt niet inhoudelijk door de Raad afgedaan, zodat betrokkene opnieuw beroep kan instellen tegen het nieuwe besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van het UWV af.