ECLI:NL:CRVB:2020:182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen
Appellant ontvangt sinds 1 januari 2017 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een fraudemelding heeft de gemeente Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand. Hierbij is vastgesteld dat appellant in april en augustus 2018 kasstortingen op zijn bankrekening had die niet waren gemeld.
Het college heeft daarom de bijstand over die periodes herzien en de teveel betaalde bijstand teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de kasstortingen geen inkomen waren omdat het geleende bedragen betrof met een specifiek doel en geen periodieke stortingen waren.
De Raad oordeelde dat kasstortingen in beginsel als inkomen moeten worden beschouwd, ook als het geleende bedragen zijn, en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet vrij over de bedragen kon beschikken. Ook eenmalige stortingen kunnen als inkomen worden aangemerkt. Omdat appellant de stortingen niet heeft gemeld, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden en is de herziening en terugvordering terecht. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.