ECLI:NL:CRVB:2019:648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering naar strekking en zorgvuldigheid UWV
Betrokkene diende op 28 juli 2014 een aanvraag in voor een WIA-uitkering, waarop het UWV bij besluit van 28 augustus 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toekende. Op 21 oktober 2014 diende betrokkene een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, welke het UWV op 26 november 2014 afwees wegens het ontbreken van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank oordeelde dat het UWV ook de aanspraken op grond van de Wajong 2010 had moeten beoordelen naar aanleiding van de aanvraag van 28 juli 2014, en verklaarde het bezwaar gegrond. Het UWV stelde in hoger beroep dat aanvragen naar hun strekking moeten worden beoordeeld en dat de aanvraag van 28 juli 2014 niet ambtshalve hoefde te worden opgevat als een Wajong-aanvraag.
De Raad onderschrijft dat het UWV de aanvraag van 21 oktober 2014 terecht heeft beoordeeld als een Wajong-aanvraag en dat het besluit op de aanvraag van 28 juli 2014 onherroepelijk is omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt. De rechtbank heeft ten onrechte de aanvraag van 28 juli 2014 betrokken in het geding en daarover een oordeel gegeven.
De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak voor zover deze het oordeel over de aanvraag van 28 juli 2014 betreft en verklaart het beroep van het UWV ongegrond. Een inhoudelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per 21 oktober 2014 kan niet plaatsvinden in dit hoger beroep omdat betrokkene geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
De Raad wijst proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het oordeel over de aanvraag van 28 juli 2014 betreft.