ECLI:NL:CRVB:2016:702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens geen toename arbeidsongeschiktheid binnen Amber-termijn
Appellante, werkzaam als productiemedewerkster, meldde zich in 2002 ziek vanwege de ziekte van Crohn. Het UWV weigerde aanvankelijk een WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na diverse aanvragen en bezwaren wees het UWV een toename van arbeidsongeschiktheid binnen de vijfjaarstermijn (Amber-termijn) af, waardoor geen recht op WAO-uitkering bestond.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar in hoger beroep stelde appellante dat zij vanaf juli 2006 arbeidsongeschikt was en dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige had benoemd. Het UWV handhaafde haar standpunt in een nieuw besluit van september 2015. De Raad vernietigde het eerdere besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar wees het latere bezwaar af omdat de arbeidsongeschiktheid buiten de Amber-termijn viel.
De Raad oordeelde dat de Amber-termijn niet opnieuw was gestart en dat de medische gegevens geen aanwijzingen gaven voor een langdurige toename van arbeidsongeschiktheid binnen die termijn. Ook werd geen bijzonder geval aangenomen om de uitkering eerder in te laten gaan. Verder werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.
Uitkomst: Het eerdere besluit wordt vernietigd en het latere besluit gehandhaafd; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.