Appellant is op 14 april 2016 een geregistreerd partnerschap aangegaan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag daarop het AOW-pensioen van appellant naar de gehuwdenorm met ingang van mei 2016. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn partner, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellant opnieuw dat sprake was van duurzaam gescheiden leven en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel vanwege informatie op de website van de Svb. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat partners een eigen leven leiden als ware zij niet gehuwd, en dat dit bestendig moet zijn bedoeld. Uit de feiten blijkt echter dat appellant en zijn partner regelmatig contact hadden, elkaar bezochten en samen activiteiten ondernamen.
De Raad stelt vast dat het geregistreerd partnerschap is aangegaan uit fiscale motieven en dat de feitelijke situatie niet ondubbelzinnig wijst op duurzaam gescheiden leven. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door het bevoegde orgaan. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het beroep wordt afgewezen.