ECLI:NL:CRVB:2019:3242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens vervangende hechtenis zonder zeer dringende redenen
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en zat van 10 december 2016 tot en met 11 januari 2017 in vervangende hechtenis. Het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard trok de bijstand over deze periode in en vorderde de kosten terug, omdat volgens artikel 13 van Pro de Participatiewet geen recht op bijstand bestaat tijdens detentie.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de vervangende hechtenis achteraf onterecht was en dat er sprake was van zeer dringende redenen die bijstand rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ook vervangende hechtenis onder de uitsluitingsgrond valt en dat het feit dat de detentie achteraf onjuist was, geen recht op bijstand geeft.
Verder stelde de Raad dat zeer dringende redenen alleen bestaan bij een acute noodsituatie van levensbedreigende aard of blijvend ernstig letsel, wat appellant niet aannemelijk maakte. Ook het niet kunnen betalen van woonlasten of onverzorgde katten kwalificeert niet als zodanig. De Raad verwierp ook de stelling dat intrekking en terugvordering een dubbele straf oplevert en wees het beroep op draagkracht af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand tijdens vervangende hechtenis worden bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.