Uitspraak
18.3858 PW, 19/467 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2018 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellante en X, vader van haar kinderen, voerden vanaf 28 juni 2009 een gezamenlijke huishouding op het adres van appellante. X ontving bijstand als alleenstaande, maar meldde niet zijn gezamenlijke huishouding en inkomsten uit criminele activiteiten. Het college herzag en trok de bijstand aan X in en vorderde de kosten mede van appellante terug.
De rechtbank vernietigde de terugvordering voor de periode vóór 6 april 2012 wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding, maar verklaarde de terugvordering voor de periode daarna terecht. Het college stelde de medeterugvordering vast op € 23.296,50 voor die periode.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat het terug te vorderen bedrag beperkt moest worden tot het aanvullende recht op bijstand naar gehuwdennorm. De Raad oordeelde dat X zijn hoofdverblijf bij appellante had, dat de gezamenlijke huishouding bestond, en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat aanvullende bijstand zou zijn verleend. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De medeterugvordering van bijstand aan appellante wordt bevestigd wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding met X.