ECLI:NL:CRVB:2019:275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid bij ME/CVS en fibromyalgie in WIA-uitkering
Appellante, laatstelijk werkzaam als kassamedewerkster, meldde zich ziek met fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Na bezwaar en een aanvullend medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep bleef het oordeel ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Appellante stelde in hoger beroep dat het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS tot een ruimere erkenning van beperkingen moest leiden, mede ondersteund door een brief van haar huisarts. De Raad beoordeelde dat het advies van algemene aard is en geen concrete aanknopingspunten biedt voor een andere beoordeling van haar beperkingen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een uitgebreid medisch onderzoek verricht, waarbij diverse specialisten en multidisciplinair onderzoek werden betrokken. De functionele beperkingen werden zorgvuldig en overtuigend gemotiveerd in de FML. Het UWV-uitvoeringsbericht over ME/CVS onderschrijft deze werkwijze.
De Raad concludeerde dat de medische gegevens en het onderzoek geen aanwijzingen bevatten dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. De brief van de huisarts bood geen aanleiding tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.