Uitspraak
16.3909 WIA
28 april 2016, 15/9411 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als secretaresse, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV werd de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd, zonder gevolgen voor de uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing en voerde aan dat haar beperkingen door het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) onvoldoende waren erkend, met name dat een urenbeperking onterecht was komen te vervallen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en het protocol CVS was toegepast. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het protocol CVS had betrokken bij de beoordeling en dat de beperkingen passend waren vastgesteld. De stelling van appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was, werd verworpen.
Verder concludeerde de Raad dat de urenbeperking terecht was komen te vervallen, omdat er geen medische gronden waren voor een beperking in de arbeidsduur, mede omdat appellante overdag niet slaapt en geen diagnose fibromyalgie was gesteld. De rapporten van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts, die niet persoonlijk had onderzocht, boden onvoldoende onderbouwing voor een urenbeperking. Ook het advies van de Gezondheidsraad bood geen aanleiding tot wijziging van de beperkingen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen urenbeperking krijgt en wijst het hoger beroep af.