ECLI:NL:CRVB:2019:1797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als woonbegeleider gehandicapten, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding in 2013. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en een functionele mogelijkhedenlijst (FML) vast dat zij slechts 28,12% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering per 16 februari 2015.
Na bezwaar en beroep, waarbij aanvullend medisch onderzoek plaatsvond, verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond dat de beperkingen van appellante voldoende waren meegewogen in de FML en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder CVS en vermoeidheidsproblematiek, onvoldoende waren meegenomen en dat het UWV het advies van de Gezondheidsraad ME/CVS niet had gevolgd. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de nieuwe medische informatie het oordeel niet wijzigde en dat het UWV het advies van de Gezondheidsraad correct had geïnterpreteerd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, behalve een vergoeding van € 500,- voor de overschrijding in de bestuursrechterlijke fase. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellante wegens deze overschrijding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en kent een beperkte schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.