ECLI:NL:CRVB:2019:730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 36,37% ondanks CVS/ME klachten
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard sinds februari 2013 vanwege hartritmestoornissen en oogproblemen, ontving een WGA-uitkering op grond van een vastgesteld loonverlies van 36,37%. Na bezwaar en beroep wees de rechtbank Rotterdam het beroep af en benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige. Deze arts concludeerde dat een verdere urenbeperking medisch niet noodzakelijk was en onderschreef de functionele beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van december 2014.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn CVS/ME-gerelateerde beperkingen onvoldoende werden erkend, onderbouwd met adviezen van cardiologen en de Gezondheidsraad. Ook werden oogklachten en eerdere hoornvliestransplantaties aangevoerd als reden voor een ruimere urenbeperking en schadevergoeding.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het deskundigenrapport volgde en dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was. De brief van cardioloog Visser en het advies van de Gezondheidsraad waren onvoldoende om de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen, mede omdat deze niet specifiek op de situatie van appellant ingingen. Ook de geselecteerde functies bleken medisch passend.
Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld en dat de functionele beperkingen adequaat zijn beoordeeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de WIA-uitkering op 36,37% en wijst het verzoek om schadevergoeding af.