ECLI:NL:CRVB:2019:2726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid wegens belangenverstrengeling en verbloeming in managementfunctie
Appellant was lid van het managementteam bij zijn werkgever en hield zakelijke contacten met een bedrijf dat eigendom was van zijn partner en ex-partner, zonder dit transparant te maken. De werkgever ontdekte dit en sprak een ontslag op staande voet uit wegens belangenverstrengeling en het mislopen van inkoopvoordeel.
Na intrekking van het ontslag en het sluiten van een vaststellingsovereenkomst vroeg appellant een WW-uitkering aan. Het Uwv weigerde de uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant de werkgever onvoldoende had geïnformeerd over zijn zakelijke belangen, waardoor het vertrouwen ernstig was geschaad.
In hoger beroep herhaalde appellant dat hij toestemming had voor de zakelijke relaties en dat hij in het belang van de werkgever handelde door lagere prijzen te bedingen. De Raad verwierp deze argumenten, bevestigde de dringende reden en het verwijt, en oordeelde dat het Uwv de persoonlijke omstandigheden voldoende had meegewogen. De Raad bevestigde daarmee het besluit van het Uwv en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing van het Uwv wordt bevestigd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.