ECLI:NL:CRVB:2010:BL2160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellant trad op 1 september 2006 in dienst als commercieel medewerker en verscheen op 5 september 2007 zonder bericht niet op het werk. De arbeidsovereenkomst werd op initiatief van de werkgever per 6 september 2007 beëindigd. Appellant vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontbreken van ontslag op staande voet, sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro, omdat appellant zich herhaaldelijk te laat of niet had gemeld en hiervoor een waarschuwing had gekregen. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant zich bewust had moeten zijn van het risico op ontslag.
Appellant voerde aan dat persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet was gewaarschuwd. De Raad stelt dat het UWV terecht onderzoek deed naar verwijtbaarheid en dat geen verband is gebleken tussen persoonlijke omstandigheden en het gedrag. De werkgever was coulant geweest, maar dat sluit een dringende reden niet uit. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.