ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid bij ontbinding arbeidsovereenkomst wegens incident op werkplek
Betrokkene was sinds 1997 in dienst als schoonmaker en werd op 13 juli 2006 op non-actief gesteld na een incident waarbij hij een collega met een mes zou hebben bedreigd. De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2006 zonder vergoeding.
Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en de verwijtbaarheidstoets niet materieel had beoordeeld conform de gewijzigde WW-regels per 1 oktober 2006.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat verwijtbare werkloosheid niet afhankelijk is van de ontslagroute, maar van de aanwezigheid van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 7:678 BW Pro. De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft verricht naar alle relevante omstandigheden, waaronder persoonlijke factoren en eerdere wrijvingen, en dat nader onderzoek noodzakelijk is.
De Raad wijst erop dat de wijziging van artikel 24 WW Pro beoogt de ontslagpraktijk te versoepelen en pro forma procedures te beperken. De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene en bevestigt het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat verwijtbare werkloosheid kan bestaan zonder ontslag op staande voet, maar oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft verricht en wijst het hoger beroep af.