Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2019
Publicatiedatum
5 juni 2019
Zaaknummer
17/6374 WW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 3 Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoeken om wraking van de behandelend rechter niet in behandeling genomen

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen meerdere uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en tevens wrakingsverzoeken ingediend tegen de behandelend rechter mr. A.I. van der Kris.

De wrakingsverzoeken zijn ingediend nadat de einduitspraak in de hoofdzaak op 28 februari 2019 openbaar was gemaakt. Volgens artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet een wrakingsverzoek worden gedaan voordat uitspraak is gedaan, omdat de zaak daarna niet langer bij de rechter in behandeling is.

De Centrale Raad van Beroep stelt dat de wet niet voorziet in wraking na uitspraak en besluit op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges de verzoeken niet in behandeling te nemen. Hierdoor blijft een inhoudelijke beoordeling van de wrakingsgronden achterwege.

De beslissing is genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2019.

Uitkomst: De verzoeken om wraking van de behandelend rechter worden niet in behandeling genomen wegens te late indiening na openbaarmaking van de einduitspraak.

Uitspraak

17/6374 WW-W, 18/3993 WW-W, 18/3994 WW-W, 18/3995 WW-W, 18/3996 WW-W, 18/3997 WW-W
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 27 mei 2019
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 10 augustus 2017 (16/8996), 23 oktober 2017 (17/2021V),
16 april 2018 (17/7448V), 12 juni 2018 (17/7446) en 12 juni 2018 (18/9). Ook heeft verzoeker hoger beroep ingesteld naar aanleiding van de gang van zaken in een door hem bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant ingetrokken beroep (17/7449).
Bij uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:802, ECLI:NL:CRVB:2019:801, ECLI:NL:CRVB:2019:798, ECLI:NL:CRVB:2019:799, ECLI:NL:CRVB:2019:800 en ECLI:NL:CRVB:2019:797, is op deze hoger beroepen beslist. De behandelend rechter was mr. A.I. van der Kris (behandelend rechter).
Op 9 mei 2019 heeft verzoeker wrakingsverzoeken ingediend.

OVERWEGINGEN

1. In artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Uit artikel 8:15 van Pro de Awb volgt dat een verzoek om wraking moet worden gedaan voordat uitspraak is gedaan. Nadat uitspraak is gedaan, is de zaak immers niet langer bij de rechter of rechters in behandeling. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat in een zaak uitspraak is gedaan.
3. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges (Stcrt. 2013, 11425) bepaalt dat de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek niet in behandeling te nemen indien het is ingediend nadat in de hoofdzaak de einduitspraak openbaar is gemaakt.
4. De beslissingen in de hoger beroepen van verzoeker zijn op 28 februari 2019 in het openbaar uitgesproken. Dat betekent dat verzoeker eerst zijn verzoeken om wraking heeft ingediend nadat de uitspraken van de Raad van 28 februari 2019 openbaar waren gemaakt en dat om die reden de verzoeken niet in behandeling worden genomen. Dit brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling van wat verzoeker in het kader van zijn verzoeken om wraking heeft aangevoerd, achterwege blijft.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat de verzoeken om wraking van de behandelend rechter in deze zaken niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2019.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) R.L. Rijnen
md