ECLI:NL:CRVB:2019:1665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen werkzaamheden voor eigen rijschool
Appellant ontving bijstand vanaf 15 maart 2016 en startte een eigen rijschool. Het college voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstand nadat appellant dit niet spontaan had gemeld. Op 11 juli 2017 trok het college de bijstand in vanwege schending van de inlichtingenplicht en onvoldoende gegevensverstrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn, omdat het besluit op 13 december 2017 zou zijn verzonden. In hoger beroep stelde appellant dat hij het besluit niet had ontvangen en pas later een kopie ontving, waarna hij tijdig beroep instelde.
De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit tijdig was ontvangen, waardoor de beroepstermijn pas later begon te lopen en het beroep tijdig was ingediend. De Raad vernietigde het niet-ontvankelijkheidsbesluit en behandelde de zaak inhoudelijk.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet alle bankrekeningen en inkomsten uit de rijschool te melden. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij recht op bijstand had, mede omdat hij geen betrouwbare boekhouding kon overleggen. Daarom was de intrekking van de bijstand terecht en verklaarde de Raad het beroep ongegrond.
Tot slot veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van bijstand wegens verzwegen werkzaamheden voor een rijschool wordt ongegrond verklaard.