ECLI:NL:CRVB:2018:2250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep bijzondere bijstand griffierecht Wob-procedure
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van griffierecht in twee procedures bij de rechtbank Rotterdam, waarvan één betrekking had op een Wob-verzoek. Het bestuur kende bijzondere bijstand toe voor de eerste aanvraag en weigerde deze voor de tweede. Het bezwaar tegen deze besluiten werd deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit over de Wob-procedure niet-ontvankelijk omdat appellant de griffierechten niet tijdig had betaald, waardoor de procedure werd beëindigd zonder inhoudelijke behandeling. Hierdoor was het procesbelang van appellant komen te vervallen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het ontbreken van een daadwerkelijk te bereiken resultaat betekent dat appellant geen voldoende procesbelang heeft. Ook het argument dat appellant een dwangsom wilde verkrijgen faalde, omdat het niet-ontvankelijkverklaarde beroep geen oordeel over een dwangsom kan opleveren.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de weigering van bijzondere bijstand voor griffierecht wordt bevestigd.