ECLI:NL:CRVB:2018:2225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening Wajong-uitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid en overgangsrecht
Appellante, geboren in 1990, diende meerdere aanvragen in voor een Wajong-uitkering op grond van de Wajong 1998 en later de Wajong 2010. Het UWV wees deze aanvragen af omdat appellante niet voldeed aan de vereiste wachttijd en omdat er volgens het UWV geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij medische stukken die pas in hoger beroep werden overgelegd buiten beschouwing liet. Appellante stelde in hoger beroep dat haar gezondheidssituatie al eerder zodanig was dat zij arbeidsongeschikt was en dat zij op grond van de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid alsnog recht zou moeten hebben op een uitkering.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht het eerdere besluit niet had herzien op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat er geen nieuwe feiten waren. Echter, de Raad stelde vast dat de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid in de Wajong 2010 een relevante wijziging van het recht is, waardoor het verzoek van appellante als een nieuwe aanvraag moet worden beschouwd.
Het UWV had nagelaten te beoordelen of appellante op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong 2010 alsnog als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. Dit leidde tot het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en dat het UWV binnen zes weken het gebrek moest herstellen door alsnog deze beoordeling te verrichten.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien en alsnog te beoordelen of appellante op grond van de Wajong 2010 als jonggehandicapte kan worden aangemerkt.