ECLI:NL:CRVB:2018:1872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstand en boete wegens niet melden inkomsten moeder
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en kregen regelmatig geld van de moeder op hun bankrekeningen gestort. Het college ontdekte deze stortingen via onderzoek en kwalificeerde deze bedragen als inkomsten die bij de bijstand in aanmerking moeten worden genomen. Appellanten hadden deze stortingen niet gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herziening van de bijstand en de opgelegde boete ongegrond. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat het om geleende bedragen ging en dat het college al op de hoogte was van de stortingen, waardoor zij meenden niet in gebreke te zijn. De Raad oordeelde dat de stortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt en dat de mondelinge mededelingen onvoldoende waren om te voldoen aan de meldingsplicht.
De Raad stelde vast dat het hoger beroep tijdig was ingediend ondanks een vertraging in ontvangst, omdat de envelop met het beroepschrift was zoekgeraakt. De boete werd als proportioneel beoordeeld. Uiteindelijk bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de bijstand en de boete wegens niet melden van inkomsten van de moeder.