ECLI:NL:CRVB:2018:3115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering terecht na zorgvuldige beoordeling medische beperkingen
Appellante, werkzaam als secretaresse, meldde zich in januari 2013 ziek met psychische klachten en ontving Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat zij per februari 2014 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Later meldde zij zich opnieuw ziek en werd zij geschikt geacht voor de functie van productiemedewerker industrie. Het UWV beëindigde daarom haar ziekengelduitkering per juni 2015, waartegen appellante bezwaar maakte dat eveneens ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat een deskundige benoemd had moeten worden, verwijzend naar het arrest Korošec van het EHRM en medische rapporten waaronder een advies van de Gezondheidsraad. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de verzekeringsartsen alle relevante medische informatie hadden meegewogen en dat er geen reden was om aan hun oordeel te twijfelen.
De Raad concludeerde dat appellante in staat was de lichte functie van productiemedewerker uit te oefenen en dat de stelling dat zij slechts enkele uren per week kon werken onvoldoende objectief was onderbouwd. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd.