ECLI:NL:CRVB:2019:3442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering ondanks vermoeidheidsklachten
Appellante, geboren in 1993, ontving sinds 2013 een Wajong-uitkering wegens ernstige vermoeidheidsklachten en concentratiestoornissen, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 47,42%. Na een periode van werken en ziekte is haar uitkering per 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon, gebaseerd op een beoordeling van het UWV dat zij arbeidsvermogen heeft.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische situatie, waaronder ME/CVS en scoliose, haar arbeidsvermogen beperkt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, waarbij onder meer de medische dossiers en het dagverhaal van appellante zijn betrokken. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS was van algemene aard en bood geen reden voor een ander oordeel.
De Raad benadrukte dat appellante serieus wordt genomen in haar klachten en dat de Wajong-uitkering in 2013 terecht is toegekend en voortgezet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de Wajong-uitkering bevestigd.