ECLI:NL:CRVB:2018:1706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij bijstandsverlaging ondanks mantelzorg en verdragsrechtelijke bezwaren
Appellant ontvangt bijstand en woont samen met zijn moeder die AOW ontvangt. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand van appellant verlaagd met toepassing van de kostendelersnorm, omdat zij samenwonen en geen uitzonderingssituaties van artikel 22a PW van toepassing zijn.
Appellant voerde aan dat mantelzorg en verdragsrechtelijke bepalingen een uitzondering rechtvaardigen, en dat de verlaging een disproportionele inbreuk maakt op zijn rechten. De Raad overwoog dat artikel 22a PW dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor afwijking wegens mantelzorg. Ook oordeelde de Raad dat het beroep op discriminatie op grond van verdragsrechtelijke bepalingen niet slaagt vanwege het fundamentele onderscheid tussen PW en AOW.
Verder is onvoldoende gebleken dat de verlaging leidt tot een buitensporig zware last of dat sprake is van een zeer bijzondere situatie voor individuele afstemming op grond van artikel 18 PW Pro. Het beroep op het recht op privéleven en eigendom faalt eveneens. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand met toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.